De indrukwekkendste reis die ik ooit maakte was de CIDI-trip naar Israël en de Palestijnse gebieden in 2017. Toen ik de kans kreeg deel te nemen, nam ik mij voor er als diehard pro-Palestijn uit te komen. Het is immers een goede levenservaring het fout te hebben en tot een ander inzicht te komen. Wellicht had ik het als zionist, en als iemand met een niet al te beste dunk van Palestijnen, gewoon bij het verkeerde eind.
De reis was verre van propaganda: er waren ontmoetingen met bestuurders van de Palestijnse Autoriteit, Hamas en gewone Palestijnen in onder meer Nabloes, Ramallah en het vluchtelingenkamp Balata. Als iemand mij kon overtuigen van mijn ongelijk, dan waren zij het wel — de kans dat zij op de loonlijst van het CIDI stonden, leek mij vrij klein.
Eerst mijn ervaringen in Israël, toegespitst op twee voorvallen. Ze zijn niet representatief voor het land als geheel, maar hebben wel mijn hosanna-ideaalbeeld van Israël met wat realisme getemperd. In de volgende column deel ik mijn ervaringen in de Palestijnse gebieden en blik ik terug op hoe dit alles mijn denken heeft gevormd.
Ongelovigen
Bij de Klaagmuur ontmoette ik een modern ogende Argentijnse Jood. Ik vroeg hem naar de politiek in Israël. In alle ernst betoogde hij dat Israël zich het beste kon ontdoen van alle niet-Joden — op welke manier dan ook — waarna alle Joden wereldwijd, opgejaagd door antisemitisme, alia zouden maken. Daarna zou het land uitsluitend door de Tora worden geregeerd en zou de Masjiach zich openbaren. Antisemitisme was in zijn ogen zowel onontkoombaar (‘zo zijn de niet-Joden’) als een goede zaak: het zou de geassimileerde Joden terugbrengen naar het jodendom en naar Israël.
Onmiddellijk herkende ik die denkwijze als takfir wal-hijra, een term uit de soennitische islam. Moslims die in de niet-islamitische wereld integreren, leven als ongelovigen en begaan daarmee geloofsafval (takfir); zij moeten een uittocht maken naar eigen gebied (hijra) om van daaruit de wereld te zuiveren van niet-islamitische invloeden en zo de eindtijd naderbij te brengen. Het jihadistische terrorisme is erop gericht juist die vijandigheid aan te wakkeren die geïntegreerde moslims dwingt hun nieuwe thuis te verlaten.
In alle ernst betoogde hij dat Israël zich het beste kon ontdoen van alle niet-Joden
De kille vanzelfsprekendheid waarmee deze man sprak, verried dat zijn ideeën in zijn omgeving niet controversieel waren. Hoe wijdverbreid ze zijn, kan ik niet beoordelen, maar het volstond om mij de rillingen te geven. Hiermee bouw je geen democratische rechtsorde op; dit was er juist een religieus-etnisch geïnspireerde aanslag op.
Minachting
Een dag later liepen wij in de moordende hitte door een wijk waar men in dikke jas en bontmuts rondliep alsof het hartje winter in Oekraïne was. Een vreemde, emotionele gewaarwording: mijn familie komt uit de sjtetls van die regio — ze zijn er, op mijn overgrootouders na, allemaal vermoord. Ik werd bevangen door heimwee en verlies, naar een wereld die ik in mijn ziel ken en waar ik in mijn hart bij wil horen, maar waarin ik in feite een buitenstaander ben.
We stopten bij een winkeltje naast een religieus schooltje met kinderen van een jaar of tien. Hoewel zij eerst nieuwsgierig reageerden op onze oer-Hollandse blonde koppen, sloeg de sfeer al snel om. Wij werden kennelijk afgerekend op ons uiterlijk, en daarmee op ons vermeende niet-Joods zijn, door kinderen die zulke agressie helemaal niet zouden moeten kennen. Die indruk hield aan naarmate wij verder de wijk in liepen. Opnieuw bekroop mij het gevoel in een omgeving te zijn beland waar de niet-Jood met minachting werd bejegend. Uit mijn eigen opvoeding of Joodse vriendenkring herkende ik dit totaal niet — maar wellicht zouden deze lieden ons niet eens als echte Joden zien.
Twee vragen drongen zich op die nog altijd door mijn hoofd spelen. Stel dat ik in de jaren dertig een niet-Joodse Pool of Oekraïner was geweest, in steden waar soms meer dan dertig procent van de bevolking Joods was , hoe zou ik deze bejegening dan hebben ervaren? Waren mijn kleine voorbeelden representatief voor hoe een groter deel van de Europese Joodse gemeenschap zich destijds tot niet-Joden verhield, en is een zekere animositeit dan niet te verklaren?
En ten tweede: hoe beschermt een democratie zich tegen het demografische en electorale gewicht van zulke groepen?