Column

Alhamdoelillah

Rivka Hellendall 30 mei 2021, 13:00
Alhamdoelillah

Oorlog is helaas nooit ver weg in Israël. Zeker in het zuiden weten alle Israëli’s wat ze moeten doen wanneer ze de sirene van het luchtalarm horen: zo snel mogelijk naar de dichtstbijzijnde schuilkelder of veiligheidskamer of, wanneer die niet voorhanden is, plat op de grond gaan liggen met de handen op het hoofd. Lokale kinderen leren dit op de basisschool. In Israël zijn kinderen ook veteranen.

De rakettenregen van Hamas in het zuiden en centrum van Israël is altijd gevaarlijk en beangstigend, maar voor de inwoners relatief bekend. Sinds mijn alia ben ik echter verwikkeld geraakt in een uitbarsting van het conflict zoals die sinds de oprichting van de staat niet eerder is voorgekomen: met wijdverspreide, gewelddadige rellen op gemengd Joods-Arabische plekken. De burgemeester van Lod, een kleine stad bij vliegveld Ben-Goerion, noemde de lokale situatie een burgeroorlog. Ook in Akko en Jaffa raakten Joden en Arabieren slaags en werd privébezit vernield. Je doet er goed aan niet te veel beelden te bekijken: torarollen moeten redden uit verbrande sjoels in de Joodse staat is meer dan onwerkelijk. “Als ik dit avontuur wil laten slagen, moet ik Israël elke dag opnieuw omarmen.” Zo besloot ik mijn vorige column. Hoe groot die uitdaging sindsdien zou worden, had ik niet kunnen voorspellen, maar Israël is dan ook een onvoorspelbare plek.

Ramadan
Ik woon in het relatief veilige Jeruzalem, al was ik er ook toen hier voor het eerst in vele jaren de veiligheidssirene afging. Met zo’n honderdvijftig man zat de oelpan in de schuilkelder, diep onder de campus. Iedereen was er slordig verzameld: staand, zittend op een paar stoelen, maar vooral op de grond. Sommigen hadden nog in allerijl (je moet binnen anderhalve minuut beneden zijn) snacks meegenomen om uit te delen. De directrice van de oelpan vertelde ons dat ze de hele nacht niet had geslapen omdat zij extra beveiliging voor ons in moest schakelen. We luisterden allemaal met asgrijze gezichten en hielden ons verder zo goed mogelijk.

Dit was een paar dagen voor het einde van de ramadan. Ik onderdrukte mijn angst voor extra onrust door me te concentreren op het cadeau voor Mustafa, de vaste kantinemedewerker van de oelpan. Samen met een groepje vrienden had ik eerder besloten een geschenkenpakket samen te stellen uit solidariteit met iemand die vastend een maand lang staat te koken en af te wassen. Hij is elke dag op de oelpan aan het werk, ook in het weekend, en verdient daarnaast bij als schoonmaker. Iedereen kent en begroet Mustafa dagelijks. De drie woorden Arabisch die we kennen, proberen we uit op hem. Als hij vraagt hoe het met mij gaat, zeg ik ‘Baroech Hasjeem’, God zij dank. Of, zoals hij het verwoordt: ‘Alhamdoelillah’. Het blijft, al met al, een en dezelfde God.

Geroerd
Amos Oz schreef in Hoe genees je een fanaticus (2004) dat, hoe vreselijk oorlog ook is, het ultieme kwaad niet oorlog, maar agressie is. Ik zou er nederig aan toe willen voegen dat er geen agressie is zonder haat, en aan haat is helaas geen gebrek in Israël. Het feit dat Otzma Jehoediet, een openlijk kahanistische partij, succesvol deelnam aan de laatste verkiezingen met de Religieus-Zionistische Partij is wat mij betreft een nationale schande die een lange schaduw werpt over het ideaal van een pluralistische Israëlische maatschappij. Arabische inwoners kunnen daar terecht woedend over zijn. Wat moet Mustafa van ogenschijnlijk gematigde religieuze Joden denken als hij zo’n uitslag ziet? Ik heb het hem nog niet durven vragen. Ik hoop dat hij heeft genoten van ons geschenkenpakket. Hij was tot tranen toe geroerd door onze verrassing: “Ach, maar dit is toch gewoon mijn werk.” Dat is misschien wel zo, maar het is ieders plicht enig inlevingsvermogen en erkenning op te brengen voor wat de ander doormaakt, of die nu Joods is of Arabisch.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *