Op deze plek heb ik het weleens gehad over mijn geweldige leraar Nederlands Frits Roeper. Een paar weken geleden schoot mij iets over hem te binnen. We hadden het in de klas over Joodse schrijvers en we vroegen aan hem wat hij nu een typisch Joodse schrijver vond. Of misschien vertelde hij het uit zichzelf, het is bijna zestig jaar geleden.
“Kafka met Het proces,” zei hij. Roeper gaf ongetwijfeld een reden, maar die kan ik mij met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Wel zei hij: “De meeste mensen zien niet dat het eigenlijk een heel humoristisch boek is.”
Ik las het, zag de humor niet, las het vijftien jaar later nog een keer en vond het meesterlijk. Maar waarom vond Roeper het een typisch Joods boek? Dus ik ben het verhaal uit 1915 over bankbediende Josef K. nog eens gaan lezen.
Schuldgevoel
Allemachtig, wat geweldig. Was ik destijds blind? K. wordt ‘zomaar’ gearresteerd. Hij probeert erachter te komen waarom. Wat zeggen de ambtenaren (voor mij een hoofdrol in dit boek): “U gedraagt u erger dan een kind, wat wilt u toch?” Ze houden de wacht bij Jozef. Zij zijn in dienst van de overheid: “Onze overheid,” zegt een ambtenaar, “voor zover ik die ken, en ik ken alleen de laagste rangen, zoekt de schuld immers niet in de bevolking, maar wordt, zoals het in de wet staat, door de schuld aangetrokken, en moet ons, die bewakers zijn, uitsturen. Dat is de wet. Hoe zou daarin nu een vergissing kunnen bestaan?”
Wat een majestueus boek. Wat is er tegenwoordig niet kafkaësk geworden?
Het is alsof je de overheid van nu hoort. En Jozef K. is een pars pro toto van alle burgers. Het is in bijna alle boeken en essays over Kafka en Het proces wel gezegd: Kafka beschrijft de bureaucratie, de vervreemding die daaruit voortvloeit, het zoeken naar recht dat nooit gevonden wordt, de angst die dat oplevert, het schuldgevoel terwijl je niet schuldig bent. Alles komt honderd jaar later voorbij: de toeslagenaffaire, onmachtige burgemeesters, de advocatuur en rechters die zelf niet meer weten hoe ze de wetten moeten hanteren. Maar — en dat is misschien wel het belangrijkste — het boek preludeert niet alleen op de Holocaust die toen nog moest komen, want Josef K. is natuurlijk een Jood, maar ook op 7 oktober. En de subtekst is: de mens is machteloos, de waarheid bestaat niet, rechtvaardigheid is ver te zoeken.
Zoektocht
Wat een bitter grappig, majestueus boek. Wat is er tegenwoordig niet kafkaësk geworden? De universiteiten, onze kranten, de talkshows, de radio — alles wordt omgedraaid, belogen, gewantrouwd en onbegrijpelijk gemaakt.
Lieve Frits Roeper, ik heb me altijd afgevraagd waarom je dit boek typisch Joods vond, maar ik weet het nu. Jouw leven spiegelt zich erin. Je vader, die ‘zomaar’ werd verraden door een patiënt, stierf onschuldig in Auschwitz. Geen advocaat, geen recht, geen waarheid. Het proces is één grote zoektocht naar logica in dit leven, die er niet is. K. loopt rond in kringen van tegenstrijdigheden. Hij heeft niets gedaan, wordt toch terechtgesteld. En wat een bittere humor! Jouw humor. Toen Frits hulp kreeg aangeboden omdat hij tweedegeneratieslachtoffer was, sloeg hij die af terwijl hij zei: “Ik hoor nog elke nacht de treinen …,” pauzeerde en vervolgde: “… want ik woon vlak bij het station. En nou wegwezen.”