De eerste handelsbeurs ter wereld stond in Amsterdam, toch? Mis. Opende de Amsterdamse beurs in 1606 de deuren, die van Antwerpen deed dat al in 1531. Het gebouw staat er nog steeds, hoewel het in latere eeuwen grondig werd verbouwd. Het bedrag dat de stad voor de beurs neertelde, spreekt boekdelen: de bevolking kon er maar liefst 300 duizend gouden kronen voor ophoesten. Antwerpen beleefde in de zestiende eeuw, zo’n honderd jaar eerder dan Amsterdam, gouden tijden.
Binnen enkele decennia groeide de stad uit tot honderdduizend inwoners
Binnen enkele decennia groeide de stad uit tot honderdduizend inwoners. Ook Joden vonden er een relatief veilig heenkomen dankzij de houding van het stadsbestuur, dat de druk die keizer Karel V uitoefende, probeerde te weerstaan.
Eeuwen daarvoor al wordt gewag gemaakt van Joodse aanwezigheid in Antwerpen, wanneer Hendrik III, de hertog van Brabant die als bijnaam de Zachtmoedige draagt, vlak voor zijn dood in 1261 in zijn testament Joden nog even tot ongewenste vreemdelingen verklaart. Hoewel ze nooit echt worden verbannen, gebruikt Hendriks zoon en opvolger Hendrik IV het testament om de belastingen voor Joden fors te verhogen. Of eigenlijk doet niet hij dat, maar zijn moeder Aleidis van Bourgondië, die de rol van regentes op zich neemt. Want niet alleen is Hendrik IV minderjarig als zijn vader sterft, ook blijkt hij beslist niet de snuggerste.
Ondanks hun status als ongewenste vreemdelingen is het zeer aannemelijk dat veel Joden na het Edict van Uitzetting door koning Eduard I van Engeland in 1290 naar Antwerpen en omgeving vluchten.
Angst beheerst de veertiende eeuw. Zowel Joden in Antwerpen als die in omringende steden krijgen in deze bijgelovige tijden van alles en nog wat in de schoenen geschoven. Zo worden ze ervan beschuldigd waterbronnen te vergiftigen. Menigeen eindigt aan de galg, op de brandstapel, wordt doodgeknuppeld of krijgt de verdrinkingsdood. Maar tegelijkertijd is de stad in opkomst. Twee keer per jaar zijn er grote jaarmarkten, waar van alles wordt verkocht: van Engelse wol tot wapens en zelfs koper uit Hongarije.
Falsos cristianos
De stad krijgt vroeg in de zestiende eeuw een nieuwe impuls. Als Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon in 1492 in Spanje Joden uit hun land verbannen, slaan veel inwoners in eerste instantie op de vlucht naar Portugal. De Portugese koning Emanuel I volgt in 1515 het Spaanse voorbeeld wanneer hij trouwt met Isabella van Aragon, dochter van Isabella en Ferdinand. Overigens zal de Portugese inquisitie pas in 1536 onder het bewind van Emanuels zoon Johan I officieel worden ingesteld, maar veel Joden zijn dan al gevlucht, naar Marokko en naar het noorden, onder meer via Engeland naar Antwerpen. Sommigen komen dan al aan in de haven van het Zeeuwse Middelburg voordat ze doortrekken naar hun eindbestemming aan de Schelde.
Isabella, die kort na het huwelijk met Emanuel in het kraambed sterft, heeft een zuster. Die Johanna van Castilië zal de geschiedenis ingaan als Johanna de Waanzinnige.
Karel V erft een rijk waar de zon nooit ondergaat
Haar zoon Karel V, die in 1500 in Gent wordt geboren, erft een rijk dat inclusief de Amerikaanse koloniën groter is dan het Romeinse Rijk: een imperium waar de zon nooit ondergaat. Al op zesjarige leeftijd erft Karel van zijn vader Filips de Schone de titel Heer der Nederlanden. De kleinzoon van Isabella en Ferdinand trekt als goed katholiek ten strijde tegen ketters als lutheranen en Joden, die hij falsos cristianos noemt.

Karel groeit op in het Vlaamse Mechelen, niet ver van Antwerpen dat zich dan al tot een economische macht ontwikkeld heeft, mede dankzij een stadsbestuur dat veel vreemdelingen gedoogt. Vanuit heel Europa en daarbuiten komen handelaars en gelukszoekers af op de bedrijvigheid. Op straat hoor je Brabants, Frans, Duits, Engels, Spaans en Portugees. De boekproductie in de drukkerij van Christoffel Plantijn en de handel in metalen nemen een enorme vlucht. De handel in suiker, specerijen, edelstenen en diamanten wordt voor een groot deel beheerst door Joden. Maar niet alleen leden van de ‘Portugese natie’ vestigen zich in de stad. Ook Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Frankrijk vinden hun weg naar Antwerpen.
Succesverhaal
Wie zich ook in de Scheldestad vestigt, is de Spanjaard Diogo Mendes, die met zijn broer Francisco voor de inquisitie is gevlucht naar Portugal. Daar bouwen de broers een handelsmaatschappij op en als ze horen dat Antwerpen booming is, vestigt Diogo zich daar in 1512. Het huis Mendes wordt het grootste Joodse succesverhaal van Europa. In Antwerpen groeit het imperium en als Francisco in 1535 in Portugal overlijdt, vlucht zijn zeer vermogende 27-jarige vrouw met haar eenjarige dochtertje via Engeland naar Antwerpen. Die vrouw zal de geschiedenis ingaan als Doña Gracia Nasi.
Moeder en dochter vestigen zich in Diogo’s huis in hartje Antwerpen, een van de stadspaleizen van soms wel vijfentwintig meter hoog die boven de vele krappe huizen en smalle steegjes uittorenen. De huizenmarkt is dankzij de enorme instroom van buiten zo oververhit dat de prijzen in een paar jaar drie keer over de kop gaan. En met de opening van de beurs vestigt Antwerpen definitief zijn naam als het financiële centrum van Europa.
Vluchtelingen
Naast haar zakelijke taken heeft Gracia Nasi een doel: zoveel mogelijk Joden uit de klauwen van de inquisitie redden. Het Huis Mendes wordt een doorvoerhaven voor vele vluchtelingen uit het Iberisch Schiereiland. Hoewel de familie Mendes in werkelijkheid klein is, overtuigt Nasi het stadsbestuur ervan dat die enorm is. Ze kunnen al die familieleden toch niet voor de deur laten staan? Het bestuur knijpt een oogje dicht, want de zaken gaan uitstekend en daar profiteert de hele stad van.
Nasi organiseert vluchtroutes over de Alpen, met vaak als eindbestemming Saloniki of Istanboel, steden die deel uitmaken van het Ottomaanse rijk van Suleiman de Grote. Ze geeft de reizigers goede raad mee voor hun gevaarlijke tocht: kleed je niet te rijk en zorg ervoor dat je een kostbaar kleinood over hebt als je bij de Ottomanen binnenkomt, zodat je een startbedrag hebt voor de opbouw van een nieuw bestaan.
Doña Gracia Nasi fungeert als bankier van menig Europese koning
Daarnaast blijkt Doña Gracia een financieel genie. Met Diogo fungeert zij als bankier van menig Europese koning.
Keizer Karel V gaat geregeld een robbertje vechten. Om zijn expedities te bekostigen heeft hij de Antwerpse belastingpegels nodig. Voor Karel is het een voortdurend afwegen: al die ketters uit Antwerpen verdrijven zoals het een goed katholiek keizer betaamt en daar de financiële consequenties van dragen, of die succesvolle ketters niet al te zeer het vel over de neus halen.
Executeur
Het is een gevaarlijk kat-en-muisspel. In 1532 lijkt Diogo Mendes zijn hand te overspelen. De rijkdom van het Huis Mendes is zo legendarisch geworden, dat Karel V hem laat arresteren en zijn pakhuizen sluiten. Hij rekent echter niet op de reactie van Europese koningen die zien dat hun economieën direct lijden onder Diogo’s gevangenneming. Van de Engelse vorst Hendrik VIII (die van de zes vrouwen) tot zelfs de koning van Portugal, aangetrouwde familie van Karel, komen de protesten binnen.
Uiteindelijk laat de keizer Diogo vrij en als de ondernemer in 1543 overlijdt, benoemt hij Gracia tot executeur van diens vermogen. Dit zeer tegen de zin van haar zus Brianda, de weduwe van Diogo. Maar er zijn meer dreigingen. Gracia’s dochter Ana is inmiddels een tiener en nadert de huwbare leeftijd. Karel V, nog steeds azend op het Mendeskapitaal, probeert dat via een huwelijk tussen Ana en een Spaanse edelman te ontfutselen. Gracia wordt ontboden op het paleis in Brussel van de landvoogdes der Nederlanden, Maria van Hongarije. Die voert de druk tot het uiterste op. Volgens historische documentatie antwoordt Gracia dat ze haar dochter nog liever verdrinkt dan uithuwelijkt aan die edelman. Dat is een duidelijk ‘nee’, en daar is de landvoogdes niet aan gewend. Doña Nasi moet vluchten en verzint een list. Ze kondigt aan dat ze naar Aken zal reizen om daar de baden te nemen vanwege aanhoudende buikpijnen. Ze pakt zoveel mogelijk waardevolle spullen in en vertrekt met haar hele familie naar het oosten. Antwerpen zal haar nooit meer terugzien.
Harde hand
In de zomer van 1549, als het einde van zijn regeerperiode in zicht komt, lijkt Karels vroomheid het van zijn pragmatisme te winnen. De keizer stuurt nieuwe edicten tegen de Joden uit en begint hen actiever te vervolgen. Is het omdat Antwerpen zijn plek als stapelmarkt voor Spaanse en Portugese specerijen het jaar daarvoor al heeft verloren? Ruimdenkend is de vorst al niet, zijn zoon Filips II is pas echt dogmatisch. Daar komen de Lage Landen al snel achter na Karels troonsafstand in Brussel, leunend op onze eigen Willem van Oranje, in 1555.

De oude keizer trekt zich terug in Spanje en vanuit dat land begint Filips II het rijk centralistischer te leiden. Als vrome katholiek richt hij zijn pijlen op ketters en Joden. Hij regeert met harde hand, terwijl de reformatie in de Spaanse Nederlanden voet aan de grond begint te krijgen. De corrupte praktijken en de overdaad van de katholieke kerk beginnen steeds meer noorderlingen tegen te staan.
De onrust is niet goed voor de handel in de Scheldestad. In 1564 vertrekken de wolhandelaren die zorgen voor de grondstof van het kostbare laken al uit de stad. De eerste signalen van een volksopstand tekenen zich af in 1566, als de Beeldenstorm losbarst. In Antwerpen richten de religieuze opstandelingen grote schade aan. Als Filips II de teugels aantrekt, begint nog geen twee jaar later de Opstand, waarin Antwerpen een belangrijke rol zal spelen. Steeds meer stadsbewoners bekeren zich tot het protestantisme.
Nekslag
Het komt ze in november 1576 duur te staan als de stad door de Spanjaarden wordt geplunderd: uitgehongerde Spaanse soldaten maken tijdens de zogeheten Spaanse Furie achtduizend slachtoffers. Inwoners zoeken meteen daarna hun heil elders. Zo verlaat een kwart van de ‘Portugese natie’ de stad. Maar de nekslag volgt een paar jaar later, wanneer de Spanjaarden onder leiding van de beruchte hertog van Alva een beleg beginnen dat veertien maanden zal duren. De stad moet zich in 1585 overgeven.

Het eens zo trotse, bruisende Antwerpen is veranderd in een armoedige puinhoop. De enige toegestane religie in de stad is vanaf dat moment het katholicisme. ‘Ketters’ krijgen vier jaar de tijd: of ze bekeren zich, of ze vertrekken. De door Filips II hernieuwde inquisitie zal in de Lage Landen de meeste slachtoffers van heel Europa eisen.
Er komt een ware volksverhuizing op gang. Vijftigduizend Antwerpenaren, de helft van de stadsbevolking, vertrekt, inclusief de Joden. Die kijken naar de steden waar ze het minst ongunstig worden ontvangen. In Antwerpen zal de handel, mede vanwege de blokkade van de Schelde door Holland en Zeeland, nooit meer op gang komen.
Overigens gaan de meeste Joodse vluchtelingen niet meteen naar Holland. De eerste stroom vluchtelingen wijkt in eerste instantie liever uit naar Engeland of Duitsland. Pas een paar jaar later trekken ze naar Middelburg , Leiden en vooral die stad in het noorden, die stad in opkomst: Amsterdam. Daarbij moet worden gezegd dat zeker na de Vrede van Munster in 1648 veel Joden terugkeren naar het Iberisch Schiereiland en daar voor het grootste deel assimileren.
Ander karakter
Daarmee is de Joodse geschiedenis van Antwerpen natuurlijk nog lang niet voorbij. De eerste noemenswaardige veranderingen vinden plaats in de laatste jaren van de negentiende eeuw als vluchtelingen uit Oost-Europa en het Russische rijk West-Europa overspoelen. Ditmaal zijn het vooral de arme Joden uit die streken die zich aangetrokken voelen tot de diamantindustrie. Vlak voor de eeuwwisseling kent Antwerpen een Joodse bevolking van rond de 25 duizend personen.
Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, telt Antwerpen zo’n 35 duizend Joodse inwoners
De stad steekt Amsterdam dan al als diamantstad naar de kroon en als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, telt de stad aan de Schelde zo’n 35 duizend Joodse inwoners. Dat zijn er in september 1944 nog slechts twaalfhonderd.
Na de oorlog is Antwerpen met Londen uitgegroeid tot een charedicentrum. Van de 20 duizend charediem die het vandaag de dag telt, is ongeveer de helft chassidisch.
Deze reportage is mede mogelijk gemaakt door Maror en verscheen eerder in het NIW28 van 8 mei 2026
