Dagboek

Ik ben rabbijn en was een beetje imam.

Opperrabbijn Jacobs schrijft op verzoek van het Joods Cultureel Kwartier dagelijks in zijn dagboek over maatschappelijke en religieuze zaken. In deze coronatijden worden extra uitdagingen gesteld aan zijn taak. Het NIW en CIP publiceren deze stukken dagelijks.

Opperrabbijn Binyomin Jacobs 29 januari 2021, 15:00
Ik ben rabbijn en was een beetje imam.

Een TV opname voor een programma dat eind april op de TV zal verschijnen. Om 9:30 uur ben ik naar sjoel gelopen, was daar om 9:50 uur en om 10:00 uur was de cameraploeg gearriveerd. Om 16:30 uur waren de opnames klaar. In de sjoel, voor de sjoel, in de stad op een bankje, voor mijn huis, in mijn huis, vertrek uit ons huis. Mijn snel-wandeling heb ik dus vandaag niet gemaakt, want heen en terug naar sjoel was vandaag voldoende. Ik was er wel in geslaagd om deel II bij ons thuis te laten plaatsvinden en daar kon ik gewoon mijn e-mails beantwoorden en telefoontjes plegen, terwijl mijn echtgenote de cameraploeg te woord stond. Was een slimme zet van mij, toonde onze samenwerking en gaf mij wat ruimte om mijn reguliere corona-werk te doen. Dat de tv-ploeg nog nooit in een synagoge was geweest begreep ik vanaf seconde één, want ze boden braaf aan om hun schoenen uit te doen. Ze wisten wel dat ik rabbijn was en geen imam, hetgeen dus meeviel. Het was allemaal nieuw voor hen en ze snakten naar kennis, los van de tv-opname. Het was een fijne dag en ik hoop dat ik door het contact een stukje bruggenbouwen heb mogen leveren. Bruggenbouwen speciaal ook met de presentator, een islamiet die me qua opstelling erg deed denken aan Marcouch, die hij inderdaad goed bleek te kennen. Die verwarring over het uittrekken van schoeisel en de moskee en de synagoge door mekaar te halen, deed me denken aan mijn beginjaren in het Sinai Centrum. Op de dag dat ik op de poli was in Amsterdam had ik regelmatig islamitische vrouwen op bezoek die met hun huwelijksproblemen bij mij kwamen. De reden? Ook in Marokko gingen ze met hun relationele problemen naar de rabbi en niet naar de imam want, zo werd me verteld, die stelde de man doorgaans in het gelijk. Of dat wel of niet waar was, was voor mij onbelangrijk. Het mooie was voor mij dat ik als Joodse rabbijn (de meeste rabbijnen zijn Joods…) deze vrouwen mocht helpen en steunen. Overigens wilden sommigen van hen dat ik op een stukje perkament zinnen uit de Thora zou schrijven en dat zouden zij dan bij zich dragen als bescherming, want de rabbi in Marokko deed dat ook en dat hielp. Ik hielp ze graag, besprak de problematiek, gaf advies, maar tot het schrijven van beschermende teksten heb ik me niet laten verleiden. Dagboeken schrijf ik graag, maar amuletten dus niet.

Ondertussen was de huidige eigenaresse van het schattige witte hondje erin geslaagd om een onderdak te vinden voor haar, wegens onvoorziene omstandigheden, bijna dakloze beestje. Het was wel jammer dat zowel mijn echtgenote inmiddels drie adressen had gevonden, ik een en mijn dochter uit Almere ook een. Nu moeten we allen die zich als pleeggezin hadden aangemeld en zich al helemaal hadden verheugd, weer teleurstellen. Overigens geef ik volmondig toe dat hoewel het werk van een rabbijn afwisselend is, het zoeken van onderdak voor dakloze hondjes, niet tot mijn dagelijkse rabbinale werkzaamheden behoort. Maar toch fijn dat dat hondje een nieuw baasje gaat krijgen!

Minder fijn was het dat mij ook een pijnlijke klacht bereikte. Ik had bij iemand de indruk gewekt dat ik mijn beroepsgeheim had geschonden. Nou ben ik altijd erg secuur met mijn beroepsgeheim, speciaal wanneer het iets betreft dat gekoppeld zit/zat aan mijn werkzaamheden binnen het Sinai Centrum. Ik zal het bijna relletje even uitleggen. Ik had iemand met een persoonlijk probleem geholpen en na afloop van het laatste gesprek en nadat het probleem was opgelost, krijg ik van haar een e-mail met het dringende verzoek om met niemand over haar probleem te spreken. Dat neem ik dan voor kennisgeving aan, temeer daar ik echt niet van plan was om met derden over haar probleem te spreken al ware het alleen al omdat niemand in haar probleem geïnteresseerd zou zijn. Een dag nadat ik de waarschuwing, waarin het verzoek om niet aan derden haar probleem te vertellen, had ontvangen, krijg ik wederom een e-mail met de vraag waarom ik mijn beroepsgeheim had geschonden en wel met derden over haar probleem had gesproken. Na een lang telefoongesprek met haar werd duidelijk dat zijzelf haar probleem met een mij onbekende vriendin te hebben besproken. Die vriendin had het op haar beurt weer met haar rabbijn besproken en dat is dan weer bij haar terecht gekomen. En omdat ik dus die rabbijn ken, was het in haar ogen duidelijk dat ik m’n mond voorbij had gepraat. Inmiddels is het dus opgelost en is de beschuldiging naar mij toe van tafel en gaat zij zelf oppassen om niet alles met die vriendin te bespreken.

Dit is een persoonlijk dagboek van de opperrabbijn en valt buiten de verantwoordelijkheid van de redactie.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *