Achtergrond

Joden in de Gouden Stad

Praag is een paradijs voor Joodse toeristen, zoveel vrijwel ongerepte geschiedenis is er te vinden. En dat alles in een verbluffend vriendelijke én veilige sfeer. Maar is echt alles dat blinkt goud in de Tsjechische hoofdstad?

Bart Schut 23 juni 2021, 10:00
Joden in de Gouden Stad

Dit artikel verscheen eerder in NIW 39, 5779/ 2019. Foto’s: Esther Voet en Bart Schut. Deze serie ‘Verslag uit het buitenland’ kwam mede tot stand dankzij Maror.

De zinderende hitte die de stad met temperaturen van 37 graden teistert, lijkt de bezoekers aan Josefov, het oude Joodse getto van Praag, nauwelijks te deren. Weinig Europese steden zullen zoveel Joodse monumenten zo dicht opeengepakt hebben, en het is overal gezellig druk, zonder de Disneylandachtige proporties van het even verderop gelegen Oude Stadsplein met zijn wereldberoemde astronomische uurwerk. Toeristen vergapen zich aan de Pinkassynagoge, die als Holocaustmonument dienst doet. Aan de Maiselsynagoge waar een interactieve kaart van het getto is te bekijken en de Oude Begraafplaats, misschien wel de meest fotogenieke ter wereld. En uiteraard aan de Altneusynagoge, de oudste sjoel van het continent die nog in gebruik is.

In de Maiselsynagoge is een film te zien over de in 1826 door Antonín Langweil gemaakte maquette van het oude getto

De verkopers van snuisterijen in de Starého Hřbitovastraat doen goede zaken. Jood-zijn is hier in en er lijkt niets mis mee dat te tonen. Onwillekeurig vraagt de Nederlandse bezoeker zich af hoe veilig deze kramen met keppels, stickers van davidsterren en miniatuurgolems zouden zijn in onze eigen hoofdstad. Hoe lang zou het duren voor het de verkopers onmogelijk gemaakt wordt hun waren zo openlijk uit te venten vanwege pro-BDS-demonstranten of islamitische hangjongeren? Maar Amsterdam lijkt in dat opzicht op een andere planeet te liggen. De sfeer is gemoedelijk, handel is handel en sowieso zijn er weinig zichtbare veiligheidsmaatregelen. De militairen die vandaag de dag in West-Europa niet meer weg te denken zijn bij zoveel Joodse objecten, zijn in Josefov in geen velden of wegen te bekennen.

De Starého Hřbitovastraat in Josefov

Dat terwijl de monumenten zich verdringen in deze wijk van het oude Praagse centrum. Alleen al aan Starého Hřbitova vindt de bezoeker naast de al genoemde begraafplaats en de Altneusjoel – Staronová synagoga in het Tsjechisch – ook nog eens het Joodse raadhuis van Josefov, de Hoge of Vysokasynagoge, de Klausensynagoge en de Obřadňí sín, het metaheerhuis. En dan is het vanaf Starého Hřbitova slechts een steenworp naar de Spaanse synagoge, de neogotische Maisel en het geboortehuis van Franz Kafka. Niet slecht, dat alles op nog geen halve vierkante kilometer. En voor wie na een bezoek aan Josefov nog geen genoeg heeft van synagogen, ligt nog geen anderhalve kilometer oostelijk de Jeruzalemsynagoge, een kleurrijke suikertaart in neo-Moorse art-nouveaustijl.

Koosjer damhert
Ook aan de inwendige mens wordt gedacht. Restaurant King Solomon ligt in het hart van Josefov en biedt koosjere specialiteiten. Het meest opvallende gerecht op het menu: Perzisch damhert. Het is wat aan de prijs, maar dan eet u wel een hert dat al volgens bijbelboek Deuteronomium koosjer is! Bij restaurant Dinitz, net om de hoek van de Spaanse synagoge, kunt u zelfs tijdens sjabbes terecht. Wel even reserveren en betalen vóór het begin van de sjabbat, de driegangen-zaterdaglunch wordt u dan zo van de warmhoudplaat geserveerd door niet-Joods personeel. Dinitz’ goulash kan zich meten met de beste in Boedapest en kan worden weggespoeld met alle koosjere wijn die u maar wilt. En als dat niet genoeg is kunt u achteraf nog een Jelínek slivovice (pruimenbrandewijn) achterover slaan – ook koosjer en met de ironie van de merknaam als bonus.

Meer ironie: de reden dat Joods Praag zo goed bewaard is gebleven ligt volgens velen in de intentie van de Duitse bezetter van Josefov een soort openluchtmuseum, een ‘monument voor een verdwenen ras’ te maken. Maar dat de nazi’s de gebouwen lieten staan, betekent niet dat de Joden van Praag niet geleden hebben. Integendeel, van september 1941 tot aan zijn dood op 4 juni 1942 was Reinhard Heydrich ‘rijksprotector’ van Bohemen en Moravië, zoals de Duitsers de huidige Tsjechische Republiek noemen. Bijgenaamd ‘de Slager van Praag’ was Heydrich de belangrijkste architect van de Holocaust. Bijna 80.000 van de naar schatting 120.000 Tsjechische Joden werden vermoord.

Bij restaurant Dinitz, net om de hoek van de Spaanse synagoge, kunt u zelfs tijdens sjabbes terecht

Judenstadt werd Josefstadt
Toen was de Joodse geschiedenis van Praag al zo’n duizend jaar oud. Al in het jaar 965 schreef de Spaans-Joodse zakenman en reiziger Abraham ben Jacob de kehilla al over de ‘Gouden Stad’. In de middeleeuwen deelden de Joden het lot van hun Europese geloofsgenoten: pogroms en vervolging door kruisvaarders en de katholieke kerk, afgewisseld met verlichte vorsten die een zekere mate van bescherming boden. Maar tijdens Pasen van het jaar 1389 sloeg de vlam echt in de pan toen priesters het verhaal verspreidden dat de Joden de hostie ontheiligd hadden. Bij de daaropvolgende slachting werden tussen de vijftienhonderd en drieduizend Joden, bijna de gehele gemeenschap van Praag, vermoord. De door een rabbijn die het bloedbad overleefde geschreven klaagzang wordt nog elk jaar tijdens Jom Kippoer in de Praagse synagogen voorgelezen. 

De tweede helft van de zestiende eeuw werd dankzij het bewind van keizers Maximiliaan II en Rudolf II gezien als een gouden eeuw en in de achttiende eeuw was Praag de grootste Joodse stad op aarde – een op de vier inwoners was Joods. Onder de rabiaat antisemitische keizerin Maria Theresa werden de Joden tussen 1745 en 1748 uit Praag verbannen, maar verrassend genoeg was het haar zoon Jozef II die hen al in 1781 – nog vóór de Franse Revolutie en Napoleon dus – emancipeerde. Jozefs Edict van Tolerantie liet Joden gebruikmaken van de instellingen voor hoger onderwijs en alle religieuze en beroepsrestricties werden opgeheven. Als dank werd het Praagse getto, de Judenstadt in 1851 herdoopt tot Josefstadt of Josefov. Naarmate de welvaart toenam verlieten steeds meer Joden het voormalige getto, vooral armen en gelovigen bleven achter. De Praagse Joden trouwden met christenen en assimileerden snel. Secularisme, socialisme en zionisme groeiden in razend tempo binnen de kehilla.

Dissident en glazenwasser
“Tsjechië kent sinds de jaren twintig en dertig een opvallend laag niveau van antisemitisme en die situatie duurt voort tot op de dag van vandaag.” Aan het woord is Daniel Kumermann, voormalig Tsjechisch ambassadeur in Israël. Kumermanns levensverhaal leest als een roman van Milan Kundera: als Jood en dissident – hij was een van de ondertekenaars van het Charta 77-manifest – kreeg hij van het naoorlogse communistische regime weinig kansen zich te ontplooien en werkte als glazenwasser. “Helemaal geen slecht baantje, ik had weinig te doen en kon de hele dag lezen,” lacht de oud-diplomaat.

Daniel Kumermann

“De communisten onderdrukten systematisch het Joodse leven,” vertelt Kumermann, “onder andere door emigratiepolitiek. Als een Jood naar het buitenland mocht gaan, hoefde hij niet terug te keren.” Het verzwakte de toch al zo geassimileerde gemeenschap verder. De communisten namen in Tsjechoslowakije pas in 1948 de macht over, waardoor kort na de Tweede Wereldoorlog tienduizenden Shoa-overlevenden naar de VS en het latere Israël hadden kunnen emigreren.

Dat de Tsjechische gemeenschap zo zieltogend was, had ook voordelen, vertelt Kummermann. “Ik kon erg gemakkelijk uitkomen. Er was geen rabbijn in Praag, dus die moest helemaal uit Roemenië overkomen. Hij sprak alleen Roemeens en Jiddisch, ik alleen Tsjechisch, dus mijn gioer was snel afgerond. Maar geen zorg, het is helemaal geldig, dat heeft jaren later toen ik ambassadeur in Tel Aviv was, de Israëlische opperrabbijn mij persoonlijk verzekerd.”

“Tsjechen zijn over het algemeen erg pro-Israël,” weet Kumermann, het buitenlandse beleid van de regering in Praag is daar een afspiegeling van. Zowel rechts als links in de Tsjechische politiek staan bijzonder positief tegenover jodendom en Joodse staat. Het verklaart deels het veilige gevoel dat toeristen hebben op bezoek in Josefov. “Tsjechië is al zo lang een seculier land, christelijk antisemitisme kenden we in de vorige eeuw al nauwelijks, laat staan nu.” Dat geldt ook voor haat uit die andere religieuze hoek. Kumermann: “Wij hebben bijna geen islamitische immigranten in Praag, wat de kans op terreuraanslagen erg klein maakt.”

Carlos de Jakhals
Ook Tom Gross, een grote naam uit de Britse journalistiek die Praag sinds zijn prille jeugd bezoekt en de stad al decennia als zijn thuis beschouwt, komt tot die conclusie. Al was dat niet altijd zo. “De communistische regering was fel anti-Israëlisch en creëerde een milieu waarin Arabische terroristen konden gedijen. Toen ik als dertienjarige in 1979 met mijn grootmoeder in het Intercontinental Hotel (aan de oever van de Moldau in Josefov, red.) verbleef, waren daar bijna geen buitenlandse gasten. Behalve, en ik realiseerde mij dat pas later, de terrorist Carlos de Jakhals, die was er tegelijk met ons.” En dat terwijl zonder de wapenleveranties uit Tsjechoslowakije de Israëlische onafhankelijkheidsstrijd in 1948 weleens heel anders had kunnen aflopen.

Tom Gross

“Praag zal nooit herstellen van de Holocaust,” denkt Gross, “maar de situatie is wel een stuk gezonder dan dertig jaar geleden. De communisten beperkten het Joodse leven, de gemeenschap werd scherp in de gaten gehouden door de geheime politie.” Na de val van de Sovjet-Unie veranderde de situatie drastisch. “Het werd modieus over de Holocaust te praten. Er ontstond een groot interesse in het jodendom, ook bij hen die maar één Joodse grootouder hadden.” Alles koek en ei dus in het Praagse, lijkt het, de gemeenschap is veilig, populair en welvarend.

‘Roomser dan de paus’
Toch heeft Tom Gross wel degelijk kritiek wanneer hij Praag vergelijkt met andere Midden-Europese hoofdsteden. “We zijn geen hechte en actieve gemeenschap zoals Wenen, we hebben niet de grote getallen van Boedapest waar veel meer Joden de oorlog overleefden, en we hebben niet de positieve invloed van de immigratie van Russische Joden gehad zoals in Berlijn.” Het heeft er volgens Gross toe geleid dat de Praagse kehilla minder open staat voor buitenstaanders en nieuwelingen. De Joodse gemeenschap is er van oudsher seculier en geassimileerd. Gross noemt drie oorzaken: het hoge percentage gemengde huwelijken vóór de oorlog, het feit dat tijdens de Holocaust de charediem als eerste gedeporteerd werden en de ‘half-’ en ‘kwartjoden’ dus een hogere overlevingskans hadden, en de onderdrukking van religieus jodendom onder het communisme.

Dit alles leidde ertoe dat nu veel niet-religieuze Joden zich wel Joods voelen, maar geen deel uitmaken van de gemeenschap. Daar komt bij dat de religieuze leiders niet bepaald voor hen open staan. “De twee opperrabbijnen sinds de val van het communisme hebben beiden gioer gedaan,” legt Gross uit, “en vaak zijn bekeerlingen ‘Roomser dan de paus’.” Daardoor is de Praagse kehilla veel orthodoxer dan de gemiddelde Tsjechische Jood en staat opvallend afwijzend tegenover vader-Joden. Gross geeft het voorbeeld van een Holocaustoverlevende die drie grootouders in Auschwitz verloor.

Toch werd zij niet erkend door de religieuze autoriteiten omdat haar vierde grootouder de moeder van haar moeder was. “Ze zijn te streng, gezien de Tsjechisch-Joodse geschiedenis voor, tijdens en na de oorlog.” Gross wil een meer open en flexibele opstelling om het Joodse Praag nieuw leven in te blazen en hij wil dit niet uit eigenbelang: “Ik ben één van de leden van de kehilla met vier Joodse grootouders, ik geloof niet dat velen dat hier kunnen zeggen.”

Verbeeldingskracht
Gross heeft nog een punt van kritiek: “De gemeenschap is apathisch.” Als voorbeeld noemt hij het feit dat Praag geen officieel Holocaustmonument of -museum heeft. “In andere Europese steden zijn die er wél of is er tenminste een discussie over.” Hij heeft een goed punt, weliswaar is er een uiterst indrukwekkend namenmonument in de Pinkassynagoge, maar om de 78.000 namen op de muren van de synagoge te zien moet de bezoeker betalen. Gross: “Dat is niet voldoende, je kunt niet van de Praagse burgers verwachten dat zij gaan betalen om aan de Shoa herinnerd te worden.” De gemeenschap zelf heeft nauwelijks gelobbyd voor een monument, vindt Gross: “Het is een gebrek aan verbeeldingskracht en angst dat de aandacht zal leiden tot antisemitisme.”

Om de 78.000 namen op de muren van de synagoge te zien moet de bezoeker betalen

Dat laatste lijkt niet terecht, zowel Gross als Kumermann zijn het er over eens dat politieke Jodenhaat, laat staan de kans op antisemitisch geweld, nauwelijks in de Tsjechische republiek te vinden zijn. Kumermann noemt de situatie ‘relaxed’ en Gross komt met een treffende vergelijking. “Als ik hier tegen mijn niet-Joodse vrienden vertel dat ik naar Israël ga, is de reactie steevast: ‘Wat leuk, het is zo’n mooi land, veel plezier!’ Vertel ik hetzelfde in Londen, word ik aangekeken of ik een oorlogsmisdadiger ben.”

De interne problemen binnen de kehilla en het politieke klimaat in de Tsjechische Republiek ten opzichte van Israël en het jodendom, zal de meeste bezoekers aan Josefov waarschijnlijk weinig interesseren. Zij genieten van de goede sfeer, de historie, de prachtige gebouwen en de bijzondere verhalen uit vervlogen tijden. Op het Joodse gemeentehuis naast de Altneuschul vergapen toeristen zich aan de klok die in plaats van getallen Joodse letters op de wijzerplaat heeft en die daarom tegen de normale richting in loopt. Over de vraag of dat symbolisch is voor de lokale kehilla of gewoon een voorbeeld van de Praagse pracht van het jodendom, hoeft de bezoeker zich gelukkig niet druk te maken.

Beroemde Tsjechische Joden
Wilhelm Steinitz (1836-1900)
De in Praag geboren grootmeester was de eerste officiële wereldkampioen schaken. Hij regeerde van 1886 tot 1894, toen hij de titel verloor aan de Joods-Duitse Emanuel Lasker. Volgens sommige schaakhistorici kan Steinitz zelfs al vanaf 1866 als wereldkampioen beschouwd worden, wat hem met Lasker de langst regerende schaakkampioen ooit zou maken.

Wilhelm Steinitz

Gustav Mahler (1860-1911)
De Joods-Boheemse Mahler was van eenvoudige komaf, maar werd een van de beroemdste componisten uit de muziekgeschiedenis. Hij werd geboren in Kaliště en groeide op in Jihlava, niet bepaald wereldsteden, maar vierde zijn grootste successen in het mondaine Wenen. Onder druk van antisemitische regels bekeerde hij zich in 1897 tot het christendom.

Gustav Mahler

Sigmund Freud (1856-1939)
Nog een Tsjechische Jood die in Wenen wereldfaam behaalde: Sigmund Freud, geboren in Freiberg (Příbor in het Tsjechisch), bijna aan de grens met Slowakije. Freud behaalde zijn doctorstitel in de Oostenrijkse hoofdstad, vond de psychoanalyse uit en de rest is geschiedenis.

Sigmund Freud 

Miloš Forman (1932-2018)
De in Čáslav geboren filmmaker vierde in de jaren zestig succes met bijtende komedies. Na zijn emigratie naar de VS won hij liefst tweemaal de Oscar voor beste regie: voor $One Flew Over The Cuckoo’s Nest$ (1975) en voor $Amadeus$ (1984). Deze twee meesterwerken wonnen ook beide de prijs voor beste film.

Miloš Forman 

Madeleine Albright (1937)
Geboren in Praag op 15 mei 1937 als Marie Jana Korbelová, migreerde Albright in 1948 met haar familie naar de VS. Daar werd zij in de regering van president Bill Clinton Amerika’s eerste vrouwelijke minister van Buitenlandse Zaken, van 1997 tot 2001. Daarvoor was zij vier jaar VS-ambassadeur bij de Verenigde Naties.

Madeleine Albright

De Maharal en de golem
Op de zuidwestelijke hoek van het Nová radnice, het nieuwe gemeentehuis in het centrum van Praag, bevindt zich een merkwaardig standbeeld. In 1917 maakte beeldhouwer Ladislav Šaloun een sculptuur van Judah Loew ben Bezalel, de zestiende- en vroegzeventiende-eeuwse rabbijn die beter bekend is als de Maharal, wat een Hebreeuws acroniem is voor Moreinoe HaRav Loew: ‘onze leraar rabbijn Loew’. Nu ja, gelijkenis, Loew is afgebeeld met een wulpse, naakte schoonheid aan zijn been en met een donker, sinister gezicht waar een neus op prijkt die je eerder zou verwachten op het gezicht van een neusaap. Het is mooi dat de stad Praag de beroemdste rabbijn uit haar geschiedenis wilde eren met een standbeeld, maar erg flatteus is het niet.

Rabbijn Loew was een van de grote denkers van het jodendom, een onovertroffen kenner van Tora en Talmoed, en een filosoof en mysticus van formaat. De rabbijn schreef gezaghebbende boeken en als hij belangrijke onderwerpen niet in sjoel met zijn gelovigen besprak, deed hij dat aan het hof met de Habsburgse keizer. De laatste twintig jaar van zijn leven woonde Loew in Praag, waar zijn graf – herkenbaar aan een wapenschild met leeuw – te bezoeken is op de Oude Joodse Begraafplaats naast de Pinkassynagoge.

Jossele
Ondanks zijn faam als denker en onderwijzer is rabbijn Loew wereldwijd bekend geworden om een heel andere reden. Volgens een mythe uit de negentiende eeuw zou de rabbijn uit de klei van de Moldau een golem gemaakt hebben en deze met Hebreeuwse spreuken tot leven hebben gewekt. De golem, een woord dat in Tehiliem (Psalmen) voorkomt en zoiets als ‘ruw materiaal’ betekent, zou zijn bedoeld om de Joden van Praag te beschermen tegen pogroms. Loews golem – er bestaan meer varianten van het verhaal op andere plaatsen in Europa – heette Jozef of Jossele en rustte op sjabbat. Loew had Jossele tot leven gewekt op een stukje perkament het woord ‘sjeem’ te schrijven en dat in zijn mond te plaatsen, op vrijdag haalde de rabbijn het perkament met sjeem weg om de golem te laten rusten, waarna hij die op zaterdagavond weer terugplaatste.

Moorddadig
Volgens een van de versies van de legende raakte de golem verliefd en ging hij helemaal en moorddadig door het lint toen zijn liefde niet werd beantwoord. Rabbijn Loew slaagde er echter in de sjeem uit zijn mond te trekken, waarna Jossele in stukken viel voor de ingang van de Altneusynagoge. Het lichaam van de golem zou sindsdien bewaard worden op de zolder van de synagoge, klaar om weer tot leven gewekt te worden als de nood hoog is voor de Praagse Joden. Helaas is de zolder afgesloten voor het publiek, maar tijdens een renovatie in 1883 zou er niets zijn gevonden dat op het bestaan van Jossele wijst.

De legende van Loew en de golem raakte pas meer dan tweehonderd jaar na de dood van de rabbijn in de mode toen Duits-Joodse folkloreschrijvers het verhaal in omloop brachten. Er bestaat geen enkele verwijzing naar in geschriften van of over Loew uit de tijd dat deze nog leefde. Dit weerhoudt de verkopers van souvenirs in Starého Hřbitova, de straat tegenover de Altneu, er niet van beeldjes uit klei van de golem, maar ook zeepjes, koekjes en tal van andere snuisterijen met zijn beeltenis te verkopen. En dan is er nog restaurant U Golema, al zit dat vreemd genoeg niet bij de Altneu maar bij de Maiselsynagoge. Jossele heeft de Praagse Joden door de eeuwen heen niet echt kunnen beschermen, maar anno 2019 levert hij in ieder geval een centje op.

Antropoïde: lijkend op een mens
In Praags achtste district, op de hoek van twee belangrijke doorvoerwegen, Zenklova en Holešovičkách, staat een roestkleurige driehoekige zuil met drie gebeeldhouwde soldaten erop. Het ronduit lelijke monument herinnert eraan dat op die plek, op 27 mei 1942, twee in Engeland opgeleide Tsjechische commando’s een aanslag pleegden op SS-Obergruppenführer Reinhard Heydrich, de ‘rijksprotector’ van Bohemen en Moravië, zoals de nazi’s de huidige Tsjechische Republiek noemden. Meer nog dan zijn baas, SS-leider Heinrich Himmler, of zijn ondergeschikte, Adolf Eichmann, was Heydrich de architect van de Shoa. Het was Heydrich die de Wannseeconferentie voorzat waarbij besloten werd tot de vernietiging van de Europese Joden.
Zijn wrede optreden tegen het verzet en burgerbevolking leverde Heydrich de bijnaam ‘de Slager van Praag’ op. De Tsjechische regering in ballingschap in Londen besloot hem uit de weg te ruimen, ondanks smeekbedes van het verzet dat bang was voor ongekende represailles tegen de burgerbevolking. De operatie – genaamd Antropoïde, Grieks voor ‘lijkend op een mens’, een treffende beschrijving van een van de grootste misdadigers uit de geschiedenis – ging door. De commando’s, Jozef Gabčik en Jan Kubiš, wachtten Heydrichs open auto op weg naar zijn kantoor in het kasteel van Praag op en wierpen een antitankgranaat naar hem. Heydrich raakte zwaar gewond, maar leek de aanslag te overleven totdat hij zeven dagen later bezweek, waarschijnlijk ten gevolge van sepsis.
Als vergelding vermoordden de nazi’s alle verzetslieden die ook maar enigszins bij de operatie betrokken waren (en hun families) en bijna driehonderd mannen, vrouwen en kinderen uit het dorp Lidice, nadat per vergissing was geconstateerd dat de commando’s er onderdak hadden gezocht. In werkelijkheid hadden Gabčik en Kubiš zich verscholen in een kerk in het centrum van Praag, waar zij werden gevonden na verraad.
De twee hielden samen met vijf Tsjechische verzetsstrijders urenlang honderden SS’ers op afstand en doodden er veertien, voor zij zelf sneuvelden of zelfmoord pleegden. De kogelgaten in de muur van de kerk van de heiligen Cyrillus en Methodius, aan Resslovastraat, zo’n honderd meter oostelijk van de Moldau, zijn stille getuigen van het offer dat Gabčik en Kubiš en zoveel anderen brachten.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *