Onvoorbereid speechen bij Hoffy’s
Dagboek

Onvoorbereid speechen bij Hoffy’s

Opperrabbijn Jacobs schrijft een dagboek over maatschappelijke en religieuze zaken. Het NIW publiceert deze stukken twee keer per week.

Opperrabbijn Binyomin Jacobs 10 juli 2023, 12:26
Onvoorbereid speechen bij Hoffy’s

Vanuit Maastricht reden wij dus woensdagmiddag terug naar Amersfoort via Antwerpen om boodschappen te doen. Het is inmiddels voor ons standaard bij het befaamde koosjere restaurant Hoffy’s te eten. Lopen we Hoffy’s binnen en een van de broers stuurt me meteen naar achteren, naar de kleine zaal, waar ‘uw mensen al op u wachten’. Geen idee wat hij bedoelt. We zijn dus gewoon aan een tafeltje gaan zitten, voorin en niet achterin. En inderdaad zat achterin een grote, enigszins luidruchtige groep. Naar het zich liet aanhoren Nederlanders, vanwege het ontbreken van het Vlaamse accent. Blouma herkende, na de soep, een van de Nederlanders en dus moest ik even gedag gaan zeggen. Een kleine vijftig Vrienden van Israël die een dagje Antwerpen deden. Mijn onverwachte aanwezigheid werd door de groepsleider bestempeld als ‘de krent in de pap’ en hij deed voorkomen alsof dit een vooropgezet onderdeel was van het programma.  En dus stond mijn maaltijd, nadat ik de soep al op had, koud te worden omdat ‘de rabbijn’ uiteraard een toespraak moest houden. En als ik eenmaal begonnen ben met een onvoorbereide speech … Toen ik weer bij mijn tafeltje kwam, had Blouma haar maaltijd al op en had mijn maaltijd de kamertemperatuur royaal bereikt. Dat was dus woensdag.

Donderdag, de Vastendag van 17 Tammoez. Op 17 Tammoez herdenken we onder andere dat er een bres werd geslagen in de muren van Jeruzalem, wat leidde tot de verwoesting van de Tempel, het begin van het galoet, de ballingschap. Geen betere dag denkbaar om een plechtigheid van een Yad Vashem-onderscheiding te laten plaatsvinden. Drie onderscheidingen werden postuum uitgereikt aan nazaten, kleinkinderen, van helden die geheel belangeloos tijdens de oorlog Joden hadden gered. Anders dan anders was niet de plechtigheid zelf, maar wel de locatie: Kamp Amersfoort. Zoals gewoonlijk een perfect, door de Nederlandse Vrienden van Yad Vashem georganiseerde plechtigheid. Maar de entourage, de plaats waar zoveel leed was geleden, gaf extra cachet. 

De entourage, de plaats waar zoveel leed was geleden, gaf extra cachet aan de uitreiking

Toen ik, als een van de sprekers, naar het spreekgestoelte liep, zag ik twee hoge laarzen in het gareel staan. En voor die laarzen honderden voetafdrukken: de appelplaats! Niet meer dan voetafdrukken waren overgebleven van de duizenden en duizenden die hier in de oorlog werden vermoord of via Kamp Amersfoort naar elders werden afgevoerd om daar op beestachtige wijze te worden afgeslacht. Met dit beeld voor ogen begon ik mijn toespraak voorafgaande aan het Jizkor, het herdenkingsgebed. 

Waarom moest na de oorlog het bestaan van kamp Amersfoort min of meer worden verzwegen? Waarom was er vanuit de Nederlandse overheid tegenstand tegen het oprichten van een gedenkplaats op deze plek? Een vraag die mij blijft bezighouden en die ik als retorische vraag in mijn toespraak naar voren bracht. De vertegenwoordiger van de Israëlische ambassade vermeldde in haar speech dat onderzoek had aangetoond dat kennis over de Holocaust vandaag meer en meer aan het verzwakken is. Ik heb hierop ingehaakt en toegevoegd dat direct na de oorlog de kennis uiteraard wel nog zeer vers aanwezig was, maar de oorlog toch zoveel mogelijk werd verzwegen omdat de overgrote meerderheid van de Nederlanders, ook van de lokale, provinciale en nationale overheden, het zag en liet gebeuren. En dus hoe minder over de moord op Joden werd gesproken, hoe beter het was voor de bestuurders die in de jaren ’40 –’45 met grote meerderheid zwegen, toekeken en met de nazi’s meewerkten.

Aan het eind van mijn overpeinzing riep ik op om vooral ook de verzetsstrijders te herdenken, die verraden werden en vermoord, vaak nog voordat ze hun heldendaden konden verrichten. Zij bleven volledig anoniem omdat ook hun onderduikers, zij die ze hadden willen redden, werden afgevoerd om nimmer terug te keren.  

‘De mevrouw van de politie zegt dat het hakenkruis en de magen David misschien hindoeïstisch symbolen zijn’

Tussen de gebruikelijke klusjes door en na de sjabbat tot rust te zijn gekomen, is het nu zondagochtend. Om 12:00 word ik geïnterviewd in het Joods Cultureel Kwartier, als vertegenwoordiger van de zogenaamde second generation. Opgevoed en grootgebracht in de schaduw van de oorlog. 

Het JCK is overigens de aanstichter van mijn dagboekschrijverij. Aan het begin van de coronajaren werd ik door de directeur Emile Schrijver gevraagd een dagboek te gaan schrijven. En sindsdien ben ik er nog steeds mee bezig en heb, als gevolg van de dagboeken, ook een aantal columns gekregen. Moet ik het JCK dankbaar zijn of ze schuldig verklaren dat ze me met uren en uren schrijven hebben opgezadeld?

Ik vertrek nu naar het Joods Museum voor het interview. Maar niet nadat ik u, beste lezer, deelgenoot wil maken van een whatsapp die ik net voor sjabbat mocht ontvangen: “Goedemiddag en alvast sjabbat sjalom! Ik moet toch nog even wat kwijt voor de sjabbat! Bel net de politie om antisemitische graffiti door te geven.  De mevrouw van de politie zegt dat het misschien een hindoeïstisch symbool is en niet antisemitisch 😡” 

Ik zal u de foto besparen, maar een hakenkruis, een = (is-gelijkteken) en dan een mageen David heeft, voor zover mij bekend, weinig met hindoeïsme te maken. Maar de opmerking van de politie kwam bij de beller, een lid van de Joodse gemeente, niet erg goed over. Hij was er naar van: zo’n onbegrip!  Dat bij de huidige jeugd nauwelijks nog kennis is over de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog had ik donderdag bij de herdenking terecht nog eens mogen horen. Maar dat bij de politie kennelijk een hakenkruis en mageen David niet tot een bepaalde associatie leiden, vind ik vreemd, jammer en pijnlijk!

Ik vertrek nu, met Blouma, naar het Joods Museum. Ik ben benieuwd hoe het interview dadelijk verloopt. Anderhalf uur zal ik ten overstaan van publiek en videocamera’s worden ondervraagd. In geval u zich niet tussen het publiek zult bevinden, dan krijgt u het ongetwijfeld te horen in mijn volgende, door het JCK geïnitieerde dagboek. 

Dus: tot straks of tot dan.

Plaats opmerking