Vluchteling werd bevrijder
Achtergrond

Vluchteling werd bevrijder

Hij is het oudste nog levende lid van de Prinses Irene Brigade, de 98-jarige Arnhemmer Max Wolff. Hij vluchtte met zijn familie begin ’42 voor de nazi’s, verloor vele familieleden, maar keerde als bevrijder terug naar zijn vaderland.

Saminna van den Bulk 21 april 2024, 06:00
Vluchteling werd bevrijder
Max Wolff

Kwiek rolt veteraan Max Wolff zijn rollator (‘mijn huidige pantserwagen’) de woonkamer in. Het gehoor is niet al te best meer, met dank aan het gebulder van de houwitsers tijdens het Ardennenoffensief in december 1944: “Na twee dagen heb je het wel gehad met die gehoorbeschermers.” Zijn smartphone biedt via een transcriptie-app soelaas, waar nodig toont deze de vragen uitgeschreven. Voor Wolff is de honderdste verjaardag dichtbij, maar zijn daden maken dat er over een eeuw mogelijk nog over hem gesproken wordt. 

Tachtig jaar geleden, op 6 juni 1944, start Operatie Overlord. Massaal landen geallieerde troepen in Normandië, in een poging de Duitse bezetter te verdrijven. Het begin van de bevrijding van West-Europa, tegelijkertijd het einde van vele levens. Op de British Normandy Memorial Wall in Portsmouth staan duizenden namen van degenen die bijdroegen aan de bevrijding. Onlangs zijn er dertien namen aan de muur toegevoegd, één uit elk geallieerd land dat deelnam aan de operatie. Zo ook de naam van de Nederlander Wolff: “Dat ze nu namen van geallieerde militairen toevoegen is een eer, dat mijn naam daartussen staat is helemaal bijzonder. Ik ben daar erg trots op.” 

Gearresteerd

Hoeveel jaren het ook geleden is, achter de heldere ogen van de Joodse Wolff speelt de oorlog zich nog scherp af. Hij is veertien jaar en woont met zijn familie in Arnhem als de Duitsers binnendenderen. Zijn wereld verandert compleet, wanneer de bezetter Joden meer en meer wil onderdrukken. Zo werd het huis van de familie Wolff in Arnhem gevorderd door de SS: “Mijn ouders kregen een uur de tijd om het noodzakelijkste in een koffertje mee te nemen.” Nederland is niet langer een veilige plek, weet zijn familie. Zwitserland moet een veilig heenkomen bieden. “Van de voorbereidingen op de vlucht in augustus ’42 heb ik weinig meegekregen. Het gebeurde in het geheim, het werd me niet verteld,” blikt Wolff terug. “Tot we vertrokken. Met wat bagage en valse paspoorten gingen we op pad.”

‘We werden in de kluis gestopt. Twee bij drie meter, zuurstof was er nauwelijks’

Met hulp van het Belgisch verzet duikt het gezin onder in een chocoladefabriek in het Brusselse Molenbeek. Ook Wolffs zussen en zwager komen daar aan voor de doorreis naar Zwitserland. Het is de laatste keer dat ze samen zijn. Het drietal wordt gearresteerd door Zwitserse douaniers en overgedragen aan een Duitse patrouille. Daarna worden Wolffs zussen en zwager overgebracht naar een gevangenis in Besançon in Frankrijk. Na drie weken worden ze via een Durchgangslager gedeporteerd naar Auschwitz, het vernietigingskamp waar zij op de dag van aankomst worden vermoord. 

Verstopt

Onkundig van wat hun familieleden precies overkomen is, proberen Max en zijn ouders Zwitserland te bereiken. Dat gaat niet zomaar. De Duitsers hebben intussen andere delen van Frankrijk ingenomen: de demarcatielijn tussen de Vicky-Frankrijk en de bezette zone is opgeheven. Passeurs, lokale verzetslieden, kunnen hen niet helpen de Frans–Duitse grens over te steken. De Wolffs besluiten terug te keren naar België. “Na ongeveer tien onderduikadressen arriveerden we uiteindelijk in een bank in Halle,” herinnert Wolff zich. Tot juni 1944, als een SS-eenheid de bank bezet. “We werden door de in paniek geraakte gastheer in de kluis gestopt. Die was twee bij drie meter, twee meter hoog. Zuurstof was er nauwelijks.” 

Wolff is er klaar mee. “Ik was achttien, ik wilde oorlogsvrijwilliger worden. Om ertoe te doen, maar vooral om wraak te nemen voor wat ons allemaal was aangedaan.” Zijn ouders zijn dan al drie kinderen verloren. “Die stonden niet te springen toen ik wilde vertrekken.” 

‘Toen ik, als gevluchte Jood, in een klein pantserwagentje de grens weer over reed … ik voelde triomf’

Het Belgische verzet helpt hem de grens over en Wolff reist naar Normandië, om zich aan te sluiten bij de geallieerde strijdkrachten. “Moet je je voorstellen. Een tocht van honderden kilometers om bij de geallieerden te komen. Geen televisie of telefoon, en de permanente angst dat de vijand ergens opduikt.” 

Half juli volgt de bevrijding door de Engelsen van het Franse Caen. Voor Wolff is de weg om zich aan te sluiten bij de geallieerde troepen vrij. Na een uitgebreide screening belandt hij in het Allied Training Center in Wolverhampton, in het midden van Engeland. Organiek wordt hij ingedeeld bij de Brigade ‘Prinses Irene’, die op het punt staat naar Normandië te vertrekken. Wolff wordt echter –  vanwege zijn grote talenkennis – opgepikt door een eenheid van de Britse Royal Engineers voor een andere taak. “Mijn moeder was Belgische, Frans sprak ik daardoor goed. Iets wat de Engelsen niet beheersten.” 

Al snel landt hij alsnog in Frankrijk, in de rol van tolk. “We kregen verschillende opdrachten, zoals het inrichten van een bevoorradingsdepot. We werden wel beschoten. De eerste keer dat dat gebeurde, was ik bang. Na een tijdje doet het je niet zoveel meer.” 

Ardennenoffensief 

Na de bevrijding van Brussel volgt Heusden aan de Maas, waar de Duitsers een oorlogsmisdaad plegen. Voor de terugtocht blazen zij de toren van het stadhuis op, terwijl de kelders van het gebouw gebruikt worden als schuilplaats voor de bevolking. 137 mensen vinden de dood. In Heusden wordt Wolff gedetacheerd bij een eenheid van de Engelse artillerie. Begin december wordt deze eenheid overgebracht naar de Belgische stad Houffalize, om in het Ardennenoffensief ondersteuning te bieden aan de omsingelde Amerikanen in Bastogne. “De omstandigheden waren zeer slecht, twintig graden onder nul en een meter sneeuw. En wij droegen zomeruniformen …” 

Max Wolff bij de bevrijding van Brussel. Foto: privéarchief

Als rond Kerstmis zich een weersverbetering voordoet, kunnen de Engelse en Amerikaanse luchtmacht de kansen weer doen keren. De bevrijding komt in zicht, maar de Duitsers geven zich niet gewonnen. De geallieerden rukken op naar Nederland, Wolff wordt gedetacheerd bij verschillende eenheden. “Dat was eind ’44. Toen ik, als gevluchte Jood, in een klein pantserwagentje de grens weer over reed … ik voelde triomf.”

In het voorjaar van 1945 trekt Wolff met een colonne trucks naar het Noord-Duitse Celle, vlakbij het net bevrijde concentratiekamp Bergen-Belsen. Hij deelt er medische hulpgoederen uit en ziet de verschrikkingen die de Duitsers er hebben aangericht. “De tweede poort mochten we niet inrijden. Daar lagen meer dan tienduizend mensen, stervend aan de vlektyfus.” 

Als Wolff in 1949 eindelijk zijn plunjebaal inlevert, krijgt hij een rekening. Van 75 cent, vanwege een ontbrekende onderbroek

Toch stopt het daar niet. Wolffs inzet wordt gevraagd in Arnhem, bij de Engelse Grave Concentration and Identification Unit en de aanleg van de oorlogsbegraafplaats in Oosterbeek. Terugkeren in de stad aan de Rijn is voor de geboren en getogen Arnhemmer een verschrikking. “Een puinhoop. De hele omgeving was ontvolkt. Mijn ouderlijk huis was op Dolle Dinsdag door de SS opgeblazen.” Zijn werk, waaronder de identificatie, blijkt eveneens ontzettend lastig. “Sommige jongens hadden daar al acht maanden gelegen. Het enige wat hun lichaam bijeenhield was hun uniform.” 

Honderden familieleden 

Zowel in Frankrijk, België als in Nederland ondersteunt Wolff het leger bij de bevrijding. “In totaal ben ik 289 familieleden verloren.” Zijn ouders weten de oorlog als door een wonder te overleven. Bij de minister van Oorlog bepleiten zij nog dat hun zoon, na zijn inzet bij de bevrijding, niet als militair uitgezonden kan worden naar Nederlands-Indië. Als hij in 1949 eindelijk uit dienst wordt ontslagen en zijn plunjebaal inlevert, wacht hem nog een rekening. “Van 75 cent, vanwege een ontbrekende onderbroek.” Hij lacht en voegt er meteen aan toe: “Heel leuk is het natuurlijk allemaal niet.” 

Hoewel Wolff zich als militair vooral inzette voor de geallieerden en de Britten, is de band met het Garderegiment Prinses Irene (dat voortkwam uit de Prinses Irene Brigade) voor de veteraan altijd blijven bestaan. Hij en zijn vrouw Carla zijn uitgenodigd mee te gaan naar de herdenking van 80 jaar
D–Day. “De laatste keer was bij de viering van 75 jaar vrijheid. Toen waren we bij een herdenking in Normandië. Iedereen was er, van koningin Elizabeth tot president Obama. Ook bij 80 jaar D-Day willen we dolgraag aanwezig zijn, maar ik weet niet of dat lichamelijk lukt.”

Wie meer wil weten over Max Wolff kan tot en met 24 april terecht in het Airborne Museum in Arnhem, waar de tentoonstelling ‘Max Wolff. Van vluchteling tot bevrijder’ wordt gehouden. Dit artikel verscheen deze maand in Landmacht, het periodiek van de Koninklijke Landmacht.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Max 1000 tekens. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *