Binnenland

Waar was God in Auschwitz?

Redactie 03 mei 2012, 00:00
Waar was God in Auschwitz?

Ik ben inmiddels al vele keren in Polen geweest om de concentratiekampen te bezoeken. De eerste keer was met Nederlandse militairen, toen ik krijgsmachtrabbijn was. De tweede keer was als begeleidend rabbijn met een Ijar-reis, tijdens de March of the Living (de eerste keer dat een dergelijke groep uit Nederland meedeed), en ik ben nu alweer vijf keer met het Auschwitz-comité meegeweest, op de jaarlijkse reis in november. Ik heb mijzelf weleens de vraag gesteld waarom ik dit doe. Antwoorden zijn: overlevenden en hun familie bijstaan in de rouwverwerking en hun verdriet. Een luisterend oor bieden en proberen, in alle bescheidenheid op die onheilsplekken middels de herdenkingen steun en troost te bieden. Maar ik ga ook voor mijzelf. De meeste leden van de families waar ik een kind van ben hebben hier en in Sobibor hun laatste voetstappen gezet, op weg naar de dood in de gaskamers. Als ik op de Rampe, het aankomstperron, sta en vanaf de beruchte poort waar de trein Auschwitz binnenreed naar het monument loop, probeer ik me iedere keer weer voor te stellen hoe dat toen was, toen mijn grootouders daar liepen na die helse treintocht in beestenwagens. Waren ze bang, hadden ze nog hoop, wat dachten ze op dat moment? Als ik naar de gaskamers loop daar links van de ‘Rampe’, dan loop ik waar zij liepen, en ik zeg kaddisj stil voor mijzelf, weg bij de groep, bij de door de nazi’s opgeblazen fabrieken van de dood, de locaties van die massale moord op mijn familie en ons volk.

Foto: Archief NIW
Auteur: Menno ten Brink

Emoties

Zes miljoen is niet voor te stellen, het is een getal. Maar bij namen van personen die je nooit hebt mogen kennen komen de emoties los. Het grote monument in Auschwitz-Birkenau is voor mij minder indrukwekkend dan de eigenlijke plek waar mijn grootouders Herman en Bettje de Lieme-Polak, en hun ouders, en de rest van de families De Lieme, Italie, Polak, Worms, Ten Brink en Slier zijn vermoord. Hun enige ‘misdaad’ was dat ze Joods de schuld van het eigen onvermogen, de eigen onzekerheid, te projecteren op de ander en daarmee in haat te vertalen. Dat is wat er gebeurd is en er is te weinig aan gedaan door de ander, om deze misdaad te voorkomen.

Bevrijd

Had God dat dan niet moeten doen? Dat is te gemakkelijk gedacht. Al in de tijd van de Uittocht uit Egypte waren er mensen nodig om de wonderen die over Egypte kwamen te waren. Daar voel je hun laatste aanwezigheid in onze wereld – in mijn wereld, die toen nog helemaal niet bestond. Nu bestaat die wereld wel, en kan ik alleen nog terugkijken in die afschuwelijke geschiedenis en proberen te begrijpen, en mij een voorstelling ervan te maken, maar dat kan ik niet. Na al die jaren dat ik op hun begraafplaats kom kan ik me er nog steeds geen voorstelling van maken en begrijp ik niet dat mensen, in principe net zulke wezens als ik, mensen op beestachtige manier hebben kunnen vermoorden, omdat ze zijn wie ze zijn. Juist dat is de Naam van God: Eheje Asjer Eheje, daarmee maakte God zich bekend aan Mosjé en aan het Joodse volk toen Mosjé aan God vroeg: „Wie bent U eigenlijk? Hoe moet ik U noemen bij mijn volk, want ze zullen het niet geloven.” Tóén was het al moeilijk om in God te geloven; kal wachomer, zeggen ze in de Talmoed, hoeveel te meer zo, na die onvoorstelbare verschrikkingen van de Shoa. Is er een God na Auschwitz? Waar was God in Auschwitz, Sobibor, Majdanek? Velen verloren hun geloof en anderen werden juist heel vroom na de oorlog. Er zijn veel studies geweest naar de rol van God tijdens de Shoa. Sommigen zeggen dat God in die tijd bezig was andere werelden te scheppen. Het was toen de hester paniem (het afgewende gelaat van God). Sommige weerzinwekkende verklaringen zeggen zelfs: het kwam omdat de Joden hun mezoezot niet hadden opgehangen, of het kwam door de afvalligheid van de Joden, en het kwam door het reform jodendom. Walgelijke verklaringen voor iets wat niet te verklaren is. Die laatste verklaringen proberen schuldigen aan te wijzen in de eigen kring. Hoe kan het dan, vraag ik hen, dat God heeft toegelaten dat er baby’s, oude mensen en zeer vromen (zoals mijn orthodox-Joodse grootouders) werden vermoord? Het was haat, pure haat, jaloezie, onzekerheid over jezelf, die als resultaat heeft dat men je alles gaat afnemen, materie, lichaam en zelfs je ziel – dat gebeurde er vanaf de jaren 30 van de vorige eeuw. Het was de mens, niet God die dit deed. Het is kennelijk normaal voor de mens om altijd vertalen naar vrijheid. Er hoefde er maar één te zijn, volgens de Midrasj, die de eerste stap zette in de zee. Daardoor kon het volk bevrijd worden. Je mag nooit op wonderen alleen vertrouwen. De mens is geschapen met een jetser tov en een jetser ra, een goede en een slechte kant in de ziel. Het is onze opdracht in deze wereld om steeds weer te proberen de jetser tov te laten zegevieren over de jetser ra. Maar waarom heeft God dan niet alleen het goede geschapen, zodat het slechte in de mens altijd onderdrukt wordt en zelfs niet meer bestaat? Waar was God dan om ons te helpen in de tijd dat het niet slechter kon gaan met de mensheid en ons volk? God was, volgens mij, niet in de gaskamers, niet op de executieplaatsen, niet bij de massagraven. Daar was alleen de mens, die zich van zijn slechtste en meest perverse kant liet zien in de uitvoering van het ultieme kwaad. Maar God was wél aanwezig in die andere momenten: het moment dat die ene gevangene zijn stukje brood aan de ander gaf, zodat die ander hopelijk kon overleven. God was er op die momenten dat verzetsmensen hielpen om mensen te laten onderduiken, met gevaar voor hun eigen leven. God was er op dat heilige moment dat een rechtvaardige van deze wereld mijn moeder en vader heeft geholpen het leven te behouden, zodat ik nu leef. God was er op de momenten dat de geallieerden de overwinning behaalden op het misdadige regime van de nazi’s, die een duizendjarig rijk wilden vestigen, dat uiteindelijk ‘slechts’ twaalf jaar duurde.

Gods plan

Het kwaad werd uiteindelijk overwonnen en het goede in de wereld kon weer opgebouwd worden. Daarin zie ik wat Gods plan is met deze wereld. Maar helaas maken de mensen er maar al te vaak een puinhoop van, iedere keer weer, omdat de mens steeds weer in de val loopt van het zichzelf superieur voelen ten koste van anderen. Jaloezie en bezitterigheid resulteren dan in haat, terwijl je eigenlijk jezelf haat, en dat maakt mensen zelfs tot een nummer, zodat men zelfs geen naam meer draagt en niet meer kan zijn die men is, geschapen naar het beeld van God: Eheje Asjer Ehejee. Wat er gebeurde tijdens de Shoa was een directe aanval op dat waar God voor staat: Ik ben die Ik was, die Ik ben en die Ik altijd zal zijn. Het is juist die Naam, de continuiteit van het goede en het leven, die ondanks alles, is blijven bestaan. Ik zie Gods aanwezigheid, in het moment dat ik kaddisj kan zeggen aan de rand van de vernietigde gaskamers, waar de resten van mijn familie rusten. Zij werden vermoord door in en in slechte mensen, door de nazi’s wier macht is vervlogen. Door kaddisj te zeggen, door Gods Naam ondanks alles te prijzen zeg ik: hun Naam blijft wel voortbestaan, in en door mij, en door mijn kinderen en be’ezrat Hasjeem, mijn kinds kinderen. Zolang wij leven blijven zij leven, dat is mijn taak in deze wereld, dat is mijn drijfveer om ieder jaar mee te gaan naar Polen, en om, net als mijn grootvader deed, te blijven bouwen aan een levende Joodse gemeenschap.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *