Achtergrond

‘Wat in je hoofd zit, neemt niemand je meer af’

Om aandacht te vragen voor het milieu pakte professor Johan Sanders (70) de trein naar Bordeaux en van daaruit de fi ets naar Pamplona, dwars door de Pyreneeën, om een klimaatconferentie bij te wonen. Maar deze uitvinder heeft meer wapenfeiten op zijn naam staan.

Esther Voet 29 september 2019, 08:00
‘Wat in je hoofd zit, neemt niemand  je meer af’

‘Ik kan ’s avonds met een glas rode wijn heerlijk wegdromen. Dan stel ik mezelf vaak een vraag, bijvoorbeeld: hoe kun je het voordeel behalen zonder daar nadeel van te ondervinden?” Aan het woord is professor Johan Sanders, woonachtig in Groningen en emeritus hoogleraar bio based economy aan de Wageningen Universiteit. Dat hij met emeritaat is, betekent niet dat hij op zijn lauweren rust, want hij plaatst zichzelf graag voor uitdagingen waarop hij zijn kennis volledig kan botvieren. Een voorbeeld, over voeding: “Wij voeren onze dieren veel nuttige stoffen, maar ook veel niet-nuttige. En die komen in de mest terecht. Het kost het dier veel energie om deze stoffen te verwerken en weer uit te scheiden. Als wij, voordat het dier iets eet, een scheiding zouden kunnen maken tussen nuttige en niet-nuttige grondstoffen, hebben zij een beter leven en houden wij enorme hoeveelheden biomassa over om de chemische industrie en zelfs de energie voorziening aan grondstoffen te helpen. Dat zal voor iedereen beter zijn.”

“Kijk, er is in deze wereld heel veel gras. In gras zit veel eiwit van hoge kwaliteit. Tot nu toe kunnen alleen koeien eiwit uit gras tot melk of vlees verwerken, maar een koe is niet zo efficiënt. Het kost haar vijf kilo graseiwit om één kilo melkeiwit te maken. Dus is mijn vraag: hoe kun je gras beter verteerbaar maken? Daar werk ik al twintig jaar aan, maar nu wordt het eindelijk tastbaar. Een start-upbedrijf dat ik samen met anderen heb opgericht, hoopt binnenkort met een machine op de markt te komen die gras kan opsplitsen in twee soorten eiwit: het ene is heel geschikt voor koeien, het tweede is ongeschikt voor koeien maar wel geschikt voor bijvoorbeeld varkens en kippen. De koe heeft dan nog maar drie kilo graseiwit nodig om een kilo melkeiwit te maken. Dat tweede eiwit, het restmateriaal, kan worden gevoerd aan varkens en kippen.”

“Dat houdt in dat op eenzelfde hoeveelheid grond anderhalf keer zoveel dierlijk eiwit geproduceerd kan worden: we hoeven dan minder te voeren en krijgen minder stikstof en fosfaat in de mest, terwijl veeboeren evenveel melk kunnen blijven produceren en extra inkomsten kunnen behalen uit de verkoop van eiwit aan kippen of varkens. Anders gezegd zou dat inhouden dat er evenveel geproduceerd wordt op een derde minder landbouwgrond. Dat reduceert ook weer de broeikasuitstoot en de druk op biodiversiteit. Het apparaat is er inmiddels. Het is mijn ultieme droom dat de Nederlandse boeren het apparaat gaan gebruiken. En daarna boeren over de hele wereld. Het is een duurzamer eiwitproductie, die tegemoet komt aan de draagkracht van de aarde, met uiteindelijk ook positieve gevolgen voor de geopolitiek zoals vermindering van oorlogen en migratie.”

Wereldwijd
Sanders houdt zich ook bezig met het verduurzamen van polyester. “Bouwstenen voor polyesters kun je heel efficiënt maken van suikers. Maar het huidige gebruik van polyesters is veel kleiner dan dat van polyethyleen en polypropyleen, waardoor effect op CO2-uitstoot beperkt is. Polyethyleen is niet efficiënt te maken uit suikers. Dan rijst bij mij al snel de vraag: hoe zou je nieuwe soorten polyester kunnen maken met eigenschappen van polyethyleen, waardoor we tegelijkertijd kosteneffectief een aanzienlijke reductie van broeikasgassen kunnen krijgen? Polyesters zijn doorgaans veel buigzamer dan polyethyleen. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om met uit suikers opgebouwd polyester een boot te bouwen. Wij willen een op suiker gebaseerd polyester maken, dat eenzelfde starre structuur heeft als polyethyleen.”

Terug naar het gras. De techniek is er, maar hoe dringt zo’n uitvinding door tot bijvoorbeeld politiek Den Haag? Daar stokt vaak de ontwikkeling, door vooral de rigide houding op het ministerie. Dat Sanders weet waarover hij praat, bewees hij al eerder. Zijn probleem om de uitstoot van bijvoorbeeld fosfaat in de mest, vóór consumptie van het dier te verminderen in plaats van daarna, werkte ook al toen hij verbonden was aan Gist Brocades: “Daar hebben we een enzym uitgevonden, fytase, waardoor geen fosfaat meer aan het voer hoeft toegevoegd te worden voor de aanmaak van tanden en botten van het vee. Dat hebben we dertig jaar geleden ontwikkeld en het wordt nu wereldwijd gebruikt. Het enzym zit nu in het veevoer.”

Onafhankelijk
Dat Sanders professor zou worden en zich zou toeleggen op allerlei wetenschappelijke uitvindingen, was niet van zelfsprekend. Hij werd geboren in Eindhoven, in 1948. Hij spreekt zelf van een onbezorgde jeugd: “Vooral als je bedenkt dat mijn ouders de oorlog net achter de rug hadden. Mijn ene opa zag de bedreigingen aankomen en overleefde de oorlog met zijn gezin. Het andere, volledig geïntegreerde, vrome gezin van mijn andere grootouders kreeg het zwaar te verduren. Ze konden zich niet voorstellen dat in het tolerante Nederland zoiets zou kunnen gebeuren. Mijn vader kwam uit dat vrome gezin, mijn moeders familie was veel liberaler. Maar door de oorlog zijn ze allebei het geloof in het geloof verloren. Ik ben met geloof in eigen krachten opgevoed: je bent afhankelijk van jezelf en niet van hogere machten. Ik ken natuurlijk de feestdagen en de grote lijnen van het jodendom, maar ik heb mijn tijd anders besteed. Zo leerde ik als kind de hele Bosatlas uit mijn hoofd. Daar heb ik nog steeds last van, dat ik veel wil leren, want ‘wat in je hoofd zit neemt niemand je meer af’. Dat is typisch Joods.”

“Ik had twee oudere zusjes en we kregen veel aandacht. Ik werkte mee in mijn vaders zaak, een juweliers- en horlogewinkel. Er werd hard gewerkt. ’s Avonds na het eten zeiden mijn ouders: “Nu begint de derde helft van de dag’ en dan gingen zij beiden weer aan het werk. Van mijn vader leerde ik onafhankelijk te zijn, dat ik niet hoefde te steunen op de willekeur van anderen. Ik heb veel geluk gehad. Ik had een goede biologieleraar en de vader van een vriend verwees me naar de beste hoogleraar moleculaire biologie in Amsterdam, waar ik heb gestudeerd. Mijn vrouw, Madeleine van Pampus, kende ik toen al. Haar vader was leverancier van mijn vader.”

Afkomst
“Later ben ik op zoek gegaan naar mijn afkomst, want aan mijn jeugd heb ik toch ook het gevoel overgehouden dat ik nergens bij hoorde. Ik leerde zelfs om niet over mijn afkomst of over Israël te spreken. Dat kon verkeerd uitpakken, was de angst. Ik ben slechts één keer naar Israël op vakantie geweest. Ik vind het een prachtig land en heb er waardering voor hoe mensen vanuit alle windstreken zo met elkaar kunnen samenwonen en -leven. Kennis en wetenschap worden daar volop benut en ik heb bewondering voor de democratie en de relatieve rust daar, als ik dat vergelijk met omliggende landen. In Israël is nog steeds plaats voor veel meningen en veel schrijvers. Naast wat verre familie heb ik er weinig contacten, behalve wetenschappelijke, maar de laatste tijd heb ik die wel steeds meer met voormalig Nederlanders daar, omdat ik onderzoeker ben voor de stichting Stolpersteine in Groningen. We zullen in een jaar of vijf, in de Schilderswijk, zo’n tweehonderd Stolpersteine gelegd hebben. Mijn Sanders-familie komt ook uit Groningen. In Veendam, op de Joodse begraafplaats, liggen de stamvader en andere familieleden.”

“Madeleine en ik hebben drie kinderen en zes kleinkinderen met wie we heel gelukkig zijn. We zien echter dat een aantal grenzen aan de planeet behoorlijk overschreden worden. Kijk naar broeikasgassen, het verlies van biodiversiteit en het gebruik van stikstof kunstmest. Die grenzen zijn al overschreden, en een aantal andere staat op het punt om overschreden te worden, ook in verband met de bevolkingsgroei. Nederland gaat dat ook merken door migratie en oorlogen. Dat was ook een beweegreden om op de fiets naar een congres in Pamplona te gaan. Ik heb de trein genomen naar Bordeaux en ben van daar, over de Pyreneeën, verder gegaan. Mijn retourtje kostte twintig kilo CO2-uitstoot, mensen die met het vliegtuig kwamen, hadden een uitstoot van zeshonderd kilo CO2, vergelijkbaar met een jaar vlees eten. Ik wilde een daad stellen, en natuurlijk ook onderzoeken of ik nog steeds zo’n inspanning kon verrichten. Dat heb ik dus bewezen, naar mijn levensmotto: als je de vraag niet stelt, zul je het antwoord zeker niet krijgen.”

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *