10 april-10 mei 1948 – De jisjoev in de aanval
Israël 75

10 april-10 mei 1948 – De jisjoev in de aanval

Na maanden van afwachten en verdedigen kiest de Hagana in april 1948 voor het offensief. De resultaten daarvan zijn gunstiger dan de jisjoev had durven dromen. Voor de Arabische bevolking het begin van een ramp, die voor een niet onbelangrijk deel op het conto van haar eigen leiders komt.

Bart Schut 01 april 2024, 13:00
10 april-10 mei 1948 – De jisjoev in de aanval
Arabische burgers ontvluchten Haifa onder escorte van Haganastrijders

In de Palestine Post van 12 april 1948 is op de rechterkolom van de voorpagina een klein artikeltje te vinden met de kop ‘IZL en Stern-eenheden nemen dorp in’. De naam van dat dorp, even ten westen van Jeruzalem, is tot op de dag van vandaag een strijdkreet voor de vijanden van de Joodse staat: Deir Yassin. De in de Post genoemde organisaties ‘IZL’ (Irgoen) en ‘Stern’ (Lehi) zijn op dat moment weliswaar gevreesde terreurbewegingen, maar als militaire eenheden stellen zij een stuk minder voor. Als strijders van beide milities op 9 april het strategisch niet erg belangrijke Deir Yassin aanvallen, zijn zij verbijsterd over de felle tegenstand van de Arabische inwoners en gefrustreerd over de zware verliezen die dezen hun toebrengen.

Vandaar dat zij na de inname van het dorp hun woede botvieren op de inwoners. Granaten worden bij huizen naar binnen geworpen, ongeacht of er vrouwen en kinderen binnen zijn. Burgers die niets met de strijd te maken hadden, worden doodgeschoten. Deir Yassin is een bloedbad en een oorlogsmisdaad. Maar het wordt ook een propagandamiddel. De Arabieren spreken al snel van meer dan 250 doden, in werkelijkheid ligt dat getal net boven de honderd. Opvallend genoeg veroordeelt ook de leiding van de jisjoev het bloedbad: Ben-Goerion gebruikt het voor zijn streven Irgoen en Lehi op te heffen en hun troepen bij de Hagana onder te brengen. 

‘Zo lang hebben jullie hier in vrede en broederschap geleefd met de Joden’

Het belangrijkste gevolg van Deir Yassin is dat de Arabische propaganda volledig averechts werkt. In plaats van een strijdkreet om de wapens op te nemen tegen de Joden, zaait de naam van het dorp paniek onder de Palestijnse bevolking, die in de dagen, weken en maanden na het bloedbad vaak al op de vlucht slaat bij het gerucht dat Joodse troepen in aantocht zijn. Er bestaat geen twijfel over dat in sommige gevallen de leiding van de jisjoev Arabische dorpen en steden wil ‘zuiveren’, maar in de meeste gevallen is dat niet eens nodig en slaat de bevolking op de vlucht – of daar nu reden voor is of niet. 

Overmacht

Al op 13 april nemen de Arabieren wraak. Een konvooi met voornamelijk ongewapend medisch personeel en gewonde Joodse soldaten loopt op weg van West-Jeruzalem naar het Hadassah-ziekenhuis op de Scopusberg in een hinderlaag. Onder de ogen van Britse troepen die weigeren in te grijpen worden 78 artsen, verpleegsters, docenten en een handjevol Haganastrijders gedood door Arabische militieleden in de wijk Sjeikh Jarrah. De meesten verbranden levend in hun gepantserde bussen. Dit bloedbad is niet minder een oorlogsmisdaad dan dat in Deir Yassin. 

Burgers in Tel Aviv zoeken dekking als zij onder vuur worden genomen door Arabische sluipschutters in de Hassan Bek-moskee van Jaffa. Foto: Hans Pinn/National Photo Collection of Israel 

Ondanks deze tegenslag boekt de Hagana belangrijke vooruitgang in april bij de pogingen het belegerde Jeruzalem te ontzetten. Verschillende grote konvooien met levensmiddelen bereiken de stad, al krijgt de Hagana de weg die de hoofdstad met de kuststrook verbindt nooit helemaal in handen. Met name het deel tussen het fort van Latrun en Bab el-Wad, de ‘poort van de vallei’, blijft onder Arabische controle, wat later belangrijke consequenties zal hebben voor de strijd om Jeruzalem. De Joden voeren in de laatste dagen van april een succesvol offensief uit in Katamon, waar de jonge elitesoldaten van de Palmach heldhaftig het Sint-Simeonklooster verdedigen tegen een overmacht van Arabische strijders. Als zij op 1 mei ontzet worden, zijn bijna alle Arabische troepen en burgers in Jeruzalem naar de Oude Stad gevlucht. 

De successen in en om Jeruzalem zijn een signaal voor de jisjoev om niet te wachten op het vertrek van de Britten uit het mandaatgebied, gepland op 15 mei, en de onvermijdelijk daaropvolgende invasie door de Arabische buurlanden. De Hagana toont zich keer op keer beter georganiseerd, gedisciplineerd en gemotiveerd dan de milities van Palestijnen en buitenlandse vrijwilligers. Nadat een aanval van het Arabische Bevrijdingsleger (ALA, zie NIW 21) op de kibboets Misjmar Haëmek in de Jisraëelvallei door een handvol verdedigers wordt afgeslagen, wordt het omringende gebied bij een Joods tegenoffensief gezuiverd. Verschillende Arabische dorpen van waaruit de aanval op de kibboets is ingezet, worden halverwege april met de grond gelijk gemaakt. 

Hazenpad

Tegelijkertijd verslaat de Joodse Carmeli Brigade iets noordelijker het Druzische Bataljon van het ALA, dat vooral uit Syrische vrijwilligers bestaat. Als de Syriërs, die dapper gestreden hebben, naar hun thuisland afdruipen, kiezen hun geloofsgenoten in het mandaatgebied eieren voor hun geld: vanaf de zomer van 1948 staan de druzen aan de kant van de Joden. Nu gaat het snel. De nabijgelegen havenstad Haifa is na Jaffa de stad met de grootste Arabische bevolking in het land. Maar van de 70 duizend Arabische bewoners van Haifa zijn er al voor april 1948 tienduizenden gevlucht. Zonder dat daar een andere reden voor is dan dat hun leiders het hazenpad hebben gekozen. 

Braziliaanse poster ter ondersteuning van de Hagana in het Portugees en Jiddisj (ca. 1948): “De Hagana strijdt onvermoeibaar voor een toekomst voor het Joodse volk. Heb jij je plicht al gedaan?”
Foto: Bernard Museum of Judaica, New York

Op 22 april kiest de Carmeli Brigade de aanval en neemt vanaf de vooral door Joden bevolkte heuvels de lagergelegen Arabische wijken aan de kust onder vuur. Dat gebeurt vooral met davidka’s, door de jisjoev zelf uitgevonden en geproduceerde mortieren. Die zijn vreselijk ineffectief als wapen, maar niet als afschrikmiddel. De knallen van de mortiergranaten zijn zo luid dat zij paniek veroorzaken onder de Arabische verdedigers en bevolking. Die slaan al snel op de vlucht met bootjes vanuit de haven en over land onder bescherming van Britse militairen. 

De Joodse autoriteiten begrijpen er niets van en smeken de achtergebleven Arabische leiders te blijven en de inwoners ervan te overtuigen dat ze terug moeten keren. “Zo lang hebben jullie hier in vrede en broederschap geleefd met de Joden,” pleit een verbijsterde burgemeester Shabtai Levy. Tevergeefs, eind april zijn er bijna geen Arabieren in de stad. Bij hun vlucht, zoals ook bij die uit Jaffa, speelt een rol dat de Palestijnse leiders ervan overtuigd zijn dat de vluchtelingen waarschijnlijk al binnen enkele weken, hooguit maanden, kunnen terugkeren. Als de Britten eenmaal zijn vertrokken, zullen de Egyptenaren en Jordaniërs immers met gemak afrekenen met de Joden, is de gedachtegang. 

‘Atoombommen’

In Jaffa is het de Irgoen die de aanval inzet, maar daar belemmeren de Britten een Joodse overwinning. Als het Britse leger dreigt Tel Aviv te bombarderen, zet de Irgoen op 1 mei het offensief stop. De meeste Arabische burgers zijn dan al gevlucht en de Hagana heeft de stad afgesneden van het Arabische achterland door een ring van dorpen eromheen te veroveren. Jaffa zal na de Britse aftocht op 13 mei onmiddellijk vallen. 

Aan de vooravond van het Britse vertrek is de jisjoev de grote overwinnaar

In oostelijk Galilea verdrijft de Golani Brigade al halverwege april het ALA uit Tiberias. De Arabische huizen worden grondig geplunderd door de Hagana en Joodse bewoners van de stad. “Ik bedek mijn gezicht uit schaamte,” schrijft een Joodse gemeenschapsleider in Tiberias. Begin mei is Safed aan de beurt. Het 3e bataljon van de Palmach zet davidka’s in, met hetzelfde effect als eerder in Haifa. De explosies van de mortiergranaten zijn zo luid, dat onder de Palestijnen in de stad het gerucht de ronde doet dat de Joden ‘atoombommen’ inzetten. Op 10 mei zijn de Arabische wijken van Safed in een spookstad veranderd. 

Aan de vooravond van het Britse vertrek uit het mandaatgebied is de jisjoev de grote overwinnaar van bijna zes maanden burgeroorlog. In de eerste fase beperkt de Hagana zich tot de verdediging, tot het organiseren en trainen van de eenheden en verkrijgen van wapens. In april, in nauwelijks meer dan een maand tijd, gaat de jisjoev in de tegenaanval. Met een ongekend succes. Bijna al het gebied dat door de VN is geoormerkt voor de Joodse staat is inmiddels in handen van de jisjoev. En – tegen alle verwachtingen in – zelfs delen die dat niet zijn, zoals in Jaffa en Jeruzalem. De ongedisciplineerde milities van Palestijnen en Arabische vrijwilligers zijn vrijwel volledig verslagen, maar de Joodse leiders weten dat de volgende ronde in het conflict – de strijd tegen georganiseerde Arabische legers – veel zwaardere offers zal eisen. Voor het zover is, moet nog een formaliteit plaatsvinden, een die elk jaar op Jom Haätsmaoet wordt gevierd: het uitroepen van de onafhankelijkheid.

Opmerkingen (1)
Tanno Gerritsen 02 april 2024, 12:16
Uitstekende serie artikelen, chapeau!
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Max 1000 tekens. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *