5787 is begonnen!

Dagboek van 14 september 2026,
Overleg met Oude Engberink en Overweg. Foto: Evert Jan Hannivoort
Overleg met Oude Engberink en Overweg. Foto: Evert Jan Hannivoort

Rosj Hasjana was goed. Fijne dienst, goede opkomst, geweldige sfeer en… gasten voor (en na) alle maaltijden. De diensten duurden niet te lang, sterker nog: de tweede dag eindigden we een half uur eerder dan in het schema stond aangegeven, terwijl er niet was afgeraffeld en zelfs niets (stiekem) was overgeslagen! Misschien was mijn korte toespraak debet aan het feit dat we een half uur eerder klaar waren, want op nadrukkelijk verzoek sprak ik kort. De korte inhoud, mocht u geïnteresseerd zijn: uiteraard liet ik de situatie rondom Israël en antisemitisme niet onvermeld. Maar aangezien Rosj Hasjana niet in het leven is geroepen om de situatie in de wereld te bespreken, en zeker niet op Rosj Hasjana in sjoel, heb ik de vertaalslag gemaakt van het antisemitisme naar ieder persoonlijk.

Mijn riedeltje, overgenomen van de historicus Jacques Presser, dat vijf procent van de Nederlanders in de oorlog collaboreerde met de nazi’s, vijf procent in het verzet zat en negentig procent het zag en liet gebeuren, heb ik vertaald naar Rosj Hasjana persoonlijk. Ik geloof namelijk dat bij de meeste mensen in hun persoonlijke gedrag die 5-90-5-regel ook aanwezig is. Met andere woorden: de mens is geneigd om mee te lopen met de kudde, ook als die volledig de verkeerde kant opgaat.

Ik zit nu beneden mijn bordje muesli naar binnen te werken met een kop koffie om de dag na Rosj Hasjana, vandaag dus – de vastendag Tsom Gedalja – makkelijker door te komen, want wel vasten, niet vasten: het gewone leven gaat door, zeker na meer dan 49 uur telefonische en digitale onbereikbaarheid. Maar vóór Rosj Hasjana, op donderdag, mocht ik aanwezig zijn en spreken bij de jaarlijkse herdenking van de eerste razzia in Twente. Honderdvijf willekeurige mannen werden opgepakt om nimmer weer te keren. Een van hen was Lefman Hartog Elkus, de broer van mijn oma Rosa de Leeuw-Elkus en dus de oom van mijn moeder. Als de honderdvijf namen worden voorgelezen, grijpt mij, omdat het directe familie is, uiteraard zijn naam extra aan, enerzijds. Maar anderzijds voelt mijn extra gevoel bij zijn naam als een stukje verraad: waarom geef ik hem meer aandacht dan de honderdvier andere slachtoffers? Sterker nog: ik weet bijna zeker dat er van de meesten überhaupt niemand meer over is met een familiaire band, omdat ook hun naaste familieleden werden vermoord en dus verdienen zij juist meer mijn aandacht.

Als de naam van de vader van Rob Heijmans wordt genoemd, geeft mij dat ook dat (schuld)gevoel van herkenning. Rob Heijmans, mijn oud-voorzitter, tref ik ieder jaar bij de herdenking, maar dit jaar waren hij en zijn echtgenote afwezig. Uiteraard heb ik hem op de terugweg gebeld om te informeren waarom hij er dit jaar niet was. Gelukkig is alles gezond, maar omdat hij inmiddels al een fiks aantal jaren de pensioengerechtigde leeftijd is gepasseerd en hij met het verstrijken der jaren toch ieder jaar een dagje ouder wordt, hebben zijn echtgenote en hij besloten om de jaarlijkse reis vanuit Laren naar het redelijk verre Enschede niet meer te maken. Mijn voorstel aan het organiserend comité, Frank Overweg en Bert Oude Engberink: volgend jaar de heer Heijmans en echtgenote laten afhalen en thuisbrengen.

Overigens lijkt het mij ook juist om mevrouw Mathilde Cohen-Sanders uit Leeuwarden, dochter van Gerard Sanders en moeder van mijn kersverse rabbinale secretaris Gerard, volgend jaar uit te nodigen. Haar vader Gerard Sanders was namelijk een van de leden van de Joodse Raad in Enschede. Negatief? Helemaal niet. Moge de rol van de Joodse Raden zwaar ter discussie hebben gestaan, het is algemeen bekend dat dankzij de Joodse Raad van Enschede vele Joden werden gered. Deze Joodse Raad liet zich, als grote uitzondering, niet gebruiken door de nazi’s, maar gebruikte de mogelijkheden zelf: met als direct gevolg dat in Enschede ‘slechts’ ongeveer vijftig procent van de Joden ‘niet terugkeerde’, zoals we dat zo steriel noemen. Frank en Bert: nodig de dochter van Gerard Sanders bij de volgende herdenking uit en wellicht kan de kennis over haar vader bijdragen aan de diepgang van de herdenking. Zelfs de vijf procent huidige collaborateurs kan hiertegen geen bezwaar maken.

Nadat ik op de sjofar had geblazen en Jizkor en Kaddiesj had uitgesproken en na de minuut stilte, was het aan mij om een paar woorden te spreken. Ik ga u mijn toespraak niet herhalen, maar één punt wil ik wel vermelden.

Natuurlijk heeft de jaarlijkse herdenking, en hebben herdenkingen in het algemeen, een educatieve waarde. Maar, en nu komt een van mijn stokpaardjes, de herdenking is er om de slachtoffers te herdenken en dus mogen we de herdenking niet degraderen tot een educatief project en al helemaal niet misbruiken voor een anti-Israëlisch spelletje van een Enschedees splinterpartijtje dat publiciteit zocht door te eisen dat ook Gaza wordt gekoppeld aan de herdenking van de razzia. Na een kort vooroverleg tussen Bert, Frank en mij besloten we om het splinterpartijtje überhaupt niet te vermelden en totaal te negeren. U kunt deze laatste twee regels dan ook als niet geschreven beschouwen.

Wel Hoge Feestdagen, niet Hoge Feestdagen: het reguliere rabbinale werk gaat, met uitzondering van de jomtov-dagen zelf, gewoon door. Teksten voor matseiwot – grafzerken – en rabbinale verklaringen die men wil hebben om zo makkelijker naar Israël te kunnen gaan als olee chadasj – immigrant – enz. enz. Maar het afgeven van zo’n rabbinale verklaring is niet altijd even simpel. Neem nou die persoon die aangeeft over geen enkel bewijs te beschikken dat hij via de moederslijn Joods is. Een onduidelijke mondelinge overlevering binnen zijn familie is het enige ‘bewijs’. En dan ook nog als complicerende factor dat de betovergrootmoeder geregistreerd staat als een buitenechtelijk kind van niet-Joodse origine, maar dus eigenlijk wel Joods zou moeten zijn en het verhaal van buitenechtelijkheid gebruikt zou zijn om haar Jood-zijn te camoufleren om zo aan vervolging, lang voor de Shoa, te ontkomen.

Jacobs, ga er maar aan zitten, zeg ik tegen mezelf. Het verhaal zou kunnen kloppen en dus is een ‘jammer dan, beste aanvrager’ moreel onjuist. Ik moet de uit vele grote en kleine stukjes bestaande legpuzzel zien op te lossen. Waarbij de mogelijkheid bestaat dat, doordat er te veel stukjes ontbreken, ik er geen geheel van kan maken. En ook bestaat de mogelijkheid dat er stukjes tussen zitten die van een andere legpuzzel afkomstig zijn en er al dan niet opzettelijk tussen zijn gestopt … Waarom? Dat is voer voor psychologen en behoort als puzzeloplosser-detective niet tot mijn taak.

Het nieuwe jaar 5787 is begonnen! Nieuwe en oude uitdagingen en met hulp van Bovenaf de uiteindelijke en definitieve sjalom “voor alle bewoners van Uw aarde.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Dagboek

5787 is begonnen!