TEKST EN BEELD: MICKY CORNELISSEN
Woest waren ze, de negenhonderd Engelse cruiseschiptoeristen die in 2019 uit Newcastle waren vertrokken voor een twaalfdaagse verrassingscruise. De vakantiegangers hadden een dagje Amsterdam verwacht, maar werden afgezet in de haven van IJmuiden. In plaats van vrolijke grachtenpanden en bruggetjes, keken de Britten tegen de dampende schoorstenen van Tata Steel aan. Het overgrote deel van de passagiers weigerde aan wal te gaan voor wat de rederij ‘een parel aan zee’ noemde. Ze kwamen voor cultuur en vermaak en dat was er in deze havenstad volgens hen niet.
Wat de mokkende toeristen niet wisten, is dat de regio IJmuiden en Beverwijk een schat aan Joodse geschiedenis herbergt en dat het er wellicht heel anders uit had gezien zonder de kehila. Wie de sporen van Joods IJmuiden en Beverwijk zoekt, moet echter wel weten waar te beginnen, want voor het oprapen ligt het niet.
De Beverwijkse Breestraat lijkt op een vrijdagmiddag op een winkelstraat in elke andere middelgrote gemeente. Langs de etalages sjokken bewoners met grote boodschappentassen, een jongetje schiet voorbij op een step, verderop ligt een wit klein hondje voor de deur van de slager te wachten op zijn baasje en een vette meeuw schrokt een achtergelaten bakje patat naar binnen. Ooit was deze straat het hart van de Joodse gemeente in Beverwijk, die in 1800 ontstond. Negen jaar later kreeg de kehila van Beverwijk een officiële status en in datzelfde jaar kocht de gemeente een begraafplaats in Wijk aan Zee om leden Joods te kunnen begraven. Een jaar later was het feest toen het gebouw Spes Mea Deus aan de Breestraat werd aangekocht en ingericht als synagoge. Vandaag de dag ziet u hier niets van terug, op de plek van het gebedshuis is een enorm winkelcentrum verrezen.

Terug naar de negentiende eeuw. Hoewel de Joodse gemeente van Beverwijk goed van start ging, liep de ontwikkeling niet voorspoedig. Dat bracht in 1815 grote financiële problemen met zich mee. Hoe die problemen werden opgelost is niet duidelijk, maar 25 jaar later bloeide de kehila weer op. Het was in 1864 zelfs tijd voor een nieuwe synagoge in dezelfde straat, uitbreiding van de begraafplaats en in 1873 was het zelfs nodig een Joodse school te bouwen. In deze tijd woonden er zeker 123 Joden in het stadje.
Met hand en schep
Net onder Beverwijk, in een woest duingebied dat in die tijd alleen werd gebruikt door de allerrijksten van Amsterdam voor hun buitenverblijven, begonnen de voorbereidingen voor een immens project.
Wie rond 1865 werk zocht, kon meegraven aan het Noordzeekanaal
In 1865 werd het startsein gegeven voor het graven van het Noordzeekanaal, dat het IJ moest verbinden met de zee en hoofdstad Amsterdam toegankelijker moest maken. Het enorme project werd uitgevoerd met de hand en met de schep, waarvoor duizenden arbeiders nodig waren. Wie werk zocht, kon in deze regio terecht. En dat hadden Joodse arbeiders ook begrepen.
Historica Trudi Bos doet al jaren onderzoek naar de geschiedenis van Joods IJmuiden, waar uiteindelijk een boek uit voort moet komen. Zij legt uit hoe de eerste Joodse pioniers hielpen met het kanaal. “De Joodse familie Nijstad kwam te wonen in de polderarbeiderskolonie, die aangeduid werd als nederzetting Op de Heide. Uit archiefstukken blijkt dat de familie uit Drenthe kwam en dat de vader van het gezin een rondtrekkende koopman was. Om economische redenen vertrok het echtpaar Nijstad met hun acht kinderen naar de kolonie, want daar was werk.” Hoewel de familie aangesloten was bij de Joodse gemeente van Sleen, lijkt hun Joodse leven in het werkdorp te vervagen. “Er was natuurlijk een Joodse gemeente in Beverwijk, maar het was voor deze mensen niet te doen daar te komen,” legt Bos uit. “Ze waren totaal ontworteld. Later kwam ik documentatie tegen dat de familie zich bekeerde tot de christelijk gereformeerde gemeente. Misschien om er toch meer bij te horen.”
Toen het kanaal eenmaal gegraven was, ontstond aan de monding, bij de sluizen, een klein dorpje. Vissers ontdekten dat zij hier gemakkelijk met hun bootje naar binnen konden varen om te vissen. Zij stonden aan de basis van de bloei. Voorheen was Den Helder de vissershaven van Noord-Holland, maar omdat IJmuiden dichter bij Amsterdam lag en rustiger water had, kozen vissers massaal voor deze locatie. Ze brachten hun vis er aan wal en dreven handel. Daaruit ontstond vissersdorp IJmuiden, wat opnieuw Joodse pioniers trok.
De Joodse gebroeders Groen pakten hun biezen en vertrokken vanuit Den Helder naar IJmuiden. Daar stortten ze zich op de vishandel en de vier Joodse broers brachten als eerste stoomtrawlers, vissersboten aangedreven op stoom in plaats van zeilen, in de vaart. Daarmee gaf de familie het kleine vissersdorpje een enorme duw voorwaarts. Dankzij hun succes verwierf de familie Groen groot aanzien in het dorp. Abraham Groen werd zelfs voorzitter van de IJmuidense redersvereniging. Toen de Rijksoverheid eind negentiende eeuw plannen ontvouwde om de controle over de vissershaven in handen te nemen, gingen de gebroeders Groen daar fel tegenin. De vis in IJmuiden moest vrije handel blijven, en daar maakten deze prominenten zich hard voor.
Goud en grammofoonplaten
Anno 2021 is de vissershaven er nog steeds. Grote koelvrachtwagens rijden af en aan, op de pier staan de rookovens voor de (uiteraard niet-koosjere) palingen te dampen voor hongerige klanten. In IJmuiden struikel je over de viskramen, die allemaal claimen dat zij de lekkerste tongetjes, kibbeling en scholletjes in huis hebben. IJmuiden groeide en bloeide dankzij de vis en rondom de haven ontstond een uitdijend woongebied, waar nu nog veel van overeind staat.
In de kleine huisjes trokken eind negentiende eeuw nieuwe bewoners, die de kansen van het groeiende vissersdorp zagen. Begin twintigste eeuw zetten de Joodse bewoners van IJmuiden pas echt voet aan wal. Een dorp kan niet alleen leven op vis, dat wisten de ondernemers ook. De Kanaalstraat bloeide op als een echte winkelstraat. De familie Van Praag verkocht er textiel en confectie, maar handelde ook in meubels. De familie Kroonenberg opende in dezelfde straat een goud- en zilversmederij, maar verkocht ook grammofoonplaten omdat muziek de passie van vader was. De fotozaak op nummer 87 werd geopend door de familie Van der Zijl en het gezin Slager verdiende de kost als voddenboer.
Prominenten in de bres
Naast de middenstanders liepen er bijzondere Joodse figuren rond in het dorp. Musicus Sam Vlessing opende aan de Bik en Arnoldkade een muziekschool en was directeur van muziekkorps Concordia, dat razend populair was onder de bevolking. Ook was hij groot fan van de plaatselijke voetbalclub De Stormvogels. Vlessing was verantwoordelijk voor het feestlied dat werd gespeeld toen de club promoveerde naar de eerste divisie. Ook Kobus Wijnschenk wist het ver te schoppen. De Joodse vishandelaar groeide uit tot medeoprichter van de conservenfabriek NECO, een van de eerste fabrieken van IJmuiden. Niet veel later zorgden de Koninklijke Hoogovens voor een nieuwe impuls van arbeidsimmigranten.
Dat de Joden van het dorp voor vol werden aangezien, blijkt wel uit het verhaal van de Joodse familie Keesje. Hun textielwinkel in de Kanaalstraat brandde volledig af, maar de verzekeraars weigerden uit te keren omdat er volgens hen onvoldoende bewijs was dat het een ongeluk was. Op dat moment sprongen de prominenten uit IJmuiden voor Keesje in de bres. Zelfs leden van de gemeenteraad stelden zich garant voor de Joodse ondernemers, die dankzij die hulp hun zaak weer konden opbouwen.
De verhoudingen waren dus goed. Maar hoe was het Joodse leven onderling? Volgens Trudi Bos kan er niet gesproken worden van een Joodse gemeenschap in IJmuiden. “Voor de synagoge gingen ze naar Beverwijk of Haarlem. In IJmuiden zelf is nooit een officiële Joodse gemeente van de grond gekomen.” Ontliepen ze elkaar dan? “Nee, dat denk ik niet. Er zijn geen huwelijken onderling gesloten. Maar ik stuitte wel op allerlei verbindingen tussen de families. In 1916 organiseerden de families Keesje, Van Praag en Kroonenberg samen een seideravond voor Joodse militairen. Ook verhuurden de Joodse families vaak winkelpanden aan elkaar.” Er is een verslag van een grote choepa in de bovenzaal van hotel Nommer 1. De plaatselijke krant schrijft dat de genodigden allerlei religies ‘zwaar onder de indruk’ waren van de Joodse bruiloft.

Naast de Joden in het vissersdorp verschenen in 1935 iets verderop nieuwe pioniers in de streek. In Kibboets Beverwijk werden enthousiaste pioniers opgeleid voor het leven in het mandaatgebied Palestina. De jonge zionisten leerden er alles over landbouw en bereidden zich voor op het leven in een Joodse staat.
NSB-burgemeester
Toch bleef een groot deel van hen in Nederland, want de Tweede Wereldoorlog brak uit. Sommige Joodse bewoners zagen kans op tijd weg te vluchten voor het naziregime. De nazaten van de familie Groen lieten een groot deel van hun vloot met vijftien boten achter en voerden met één schip naar het veilige Engeland. Bernard van Leer, eigenaar van Van Leers Walsbedrijven wist zijn bedrijf in 1941 nog te verkopen aan de Hoogovens, al was dat onder de marktwaarde. De opmerkelijke ondernemer bezat ook een circus genaamd Circus Kavaljos. Met circustent en al vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij zelfs nog in de Radio City Music Hall met zijn paarden optredens gaf.
Andere families kwamen niet weg. Zo werd het volledige gezin Frank uit hun huis aan het Oosterduinplein gehaald en keerde nooit terug. In totaal werden 258 Joden uit de IJmond vermoord in concentratiekampen. IJmuiden heeft vreemd genoeg geen gedenkteken voor de mensen die bijgedragen hebben aan de bloei van de plaats. Beverwijk heeft sinds kort een namenmonument op de Joodse begraafplaats en er staat een gedenkteken in de Breestraat waar de synagoge heeft gestaan. Ook de Hoogovens onthulden in 1948 een monument met de namen van medewerkers die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vermoord, van wie een deel Joods was.
Volgens historica Bos werd er in IJmuiden gretig meegewerkt aan het oppakken en deporteren van Joodse inwoners. “IJmuiden kreeg al vrij snel een NSB-burgemeester en die zette een speciale divisie Jodenjagers op. Het nabijgelegen Zandvoort heeft de reputatie heel fout te zijn geweest, maar IJmuiden deed daar niet voor onder.”
Cadeautjes van Cardozo
Toch besloten na de Shoa Joodse ondernemers terug te keren naar de kustplaats. Familie Van Staveren begon een schoenenwinkel, de familie Van Praag opende winkels aan de Oosterduinweg en de Kennemerlaan en de Lopes Cardozo’s heropenden een modezaak. Dat de Joodse ondernemers weer opgenomen werden in IJmuiden, intussen uitgegroeid tot een stad, blijkt wel uit een getuigenis van Ton Postma, die er ter wereld kwam en opgroeide. Hij koestert warme herinneringen aan de zaak van Lopes Cardozo. Als telg uit een kinderrijk gezin met weinig geld, kreeg hij van de Joodse ondernemer zijn eerste speelgoed. “Het was een vrachtwagen met boomstammetjes. Die kreeg ik nadat ik had meegelopen in een modeshow van zijn zaak. Ik was daar toen zo gelukkig mee,” blikt Postma terug. De shows werden georganiseerd op het Marktplein, in grote witte tenten waar de hele stad voor uitliep.
Iets verderop, ten noorden van het kanaal, begon een andere Joodse ondernemer een succesvolle kledingzaak. In 1951 opende Jaap Soesan de deuren van The House for Gentlemen aan de Baanstraat in Beverwijk. Rika Pais, de dochter van de ondernemer en later zelf eigenares, kijkt met veel plezier terug op die tijd. “We verhuisden vanuit Amsterdam naar Beverwijk om daar de zaak te beginnen. We woonden boven de winkel en ik heb een heerlijke jeugd gehad in Beverwijk,” De familie ging in Haarlem naar sjoel, maar haalde opa en oma elke vrijdag uit Amsterdam op voor sjabbat in Beverwijk. “Mijn moeder kookte geweldige sjabbatmaaltijden in ons kleine keukentje.”
‘Op het strand zag ik kinderen met keppeltjes, ik wist niet wat me overkwam’
Volgens Pais woonden er meer Joden in Beverwijk, maar Joodse kinderen zag ze nauwelijks. “Ik weet nog goed dat ik op het strand was en daar opeens kinderen met keppeltjes zag. Ik wist niet wat me overkwam. Ik had nog nooit zoveel Joodse kinderen bij elkaar gezien.”
De kinderen waar Pais herinneringen aan heeft, waren onderdeel van de Joodse Zee- en Boskolonie JoZeBoKo. De organisatie was in 1923 opgericht als vakantieoord voor kinderen uit arme Joods-Amsterdamse gezinnen. Na de oorlog begon de organisatie opnieuw in hetzelfde gebouw in Wijk aan Zee. Het grote pand kon 150 kinderen huisvesten en was vermaard om de enorme keuken met zes aanrechten, nodig om aan de Joodse spijswetten te kunnen voldoen en alle hongerige kindermondjes te kunnen vullen. Ook de twintig toiletten in het gebouw waren voor die tijd ongekend. Het pand bestaat nog steeds, al is JoZeBoKo niet meer actief.
Volgens Pais moest haar Joodse gezin zich aanpassen aan het leven in Beverwijk, waar de winkels gewoon op zaterdag open waren. “De eerste keer dat mijn vader op zaterdag open was, vond hij dat vreselijk. Hij vroeg aan de eerste klant van die dag of meneer het geld bij het afrekenen zelf in de kassa kon leggen,” grinnikt Pais. Met Jom Kipoer bleef de winkel altijd gesloten. “Dat begreep men hier wel. Een keer stonden er de dag na Jom Kipoer al vlak voor openingstijd twee dames voor de deur. Die kwamen elk jaar vanuit de kop van Noord-Holland een dagje winkelen bij ons, maar ze waren juist aangekomen op de dag dat wij gesloten waren. En wat deden ze toen? Ze boekten een hotel zodat ze de volgende dag alsnog langs konden komen. Dat is toch bijzonder?,” Later werd de winkel omgedoopt tot Modehuis Soesan, onder de slogan ‘goed gekleed, beter gekleed, Soesan gekleed’.
Brit in Beverwijk
Van hard antisemitisme was er volgens oud-onderneemster Pais niet echt sprake. “Mijn broertje is volgens mij weleens uitgescholden voor brillenjood. Maar tijdens de Zesdaagse Oorlog brachten mensen uit heel Beverwijk bloemen naar de winkel. De vrouw van de directeur van de Hoogovens heeft nog samen met ons gecollecteerd voor de Joodse staat. Men was daar heel erg mee bezig.”
Toch kreeg Pais te maken met een minder prettige klant. “Er was een mevrouw die een jurk paste die gewoon niet bij haar stond. Ik zei dat eerlijk tegen haar en zij antwoordde: ‘Je bent dan wel een Jodinnetje, maar je bent wel eerlijk’. Ik stond met mijn mond vol tanden.” Dat een Joodse familie de zaak bestierde, leek de vrouw weinig uit te maken. “Ze bleef nog jaren klant en kocht veel bij ons, maar ik kreeg die woorden niet meer uit mijn hoofd.”
Rika trouwde met Appie Pais en samen namen zij de kledingwinkel van haar vader over. Toen zoon Micha werd geboren, was dat een hele gebeurtenis in Beverwijk, want voor het eerst werd een jongetje besneden in het Rode Kruis Ziekenhuis. “De plaatselijke krant meldde zelfs dat er een rabbijn naar Beverwijk kwam voor de gebeurtenis,” herinnert Pais zich. Nieuwe Joodse gezichten kwamen volgens haar vooral langs dankzij de Hoogovens. Het befaamde internationale schaaktoernooi trok jaarlijks Russische Joden, die bij Modehuis Soesan cadeautjes voor het thuisfront kwamen kopen. “Een van die Joods-Russische schakers nodigde mij uit voor het grote feest ter ere van het toernooi. Maar ik was natuurlijk al getrouwd,” lacht Pais. “Ja, de Hoogovens zorgden voor groei in de stad. Het was alleen jammer dat je je waslijnen eerst moest poetsen voordat je de witte was ophing, anders had je zwarte strepen.”
Naast de traditionele modewinkel was de familie Soesan, net als andere Joodse families uit de regio, niet bang voor een pioniersrol. De Shop à Gogo, een speciale kledingwinkel voor tieners aan het Meerplein in Beverwijk, zorgde voor rijen voor de deur. “Het was een regelrecht succes, een voorloper van de kledingwinkels voor jongeren die wij nu kennen,” zegt Pais.

Foto: NH archief
De winkels van Soesan bestaan niet meer in het straatbeeld van Beverwijk en ook in IJmuiden zijn de namen in dit artikel verdwenen. Toch is wandelen in de IJmond zeker de moeite waard, wanneer u weet waar u moet zijn voor die overblijfselen van een eens succesvolle kille. Vergeet tijdens u wandeling niet bij een van de tientallen straatkarretjes de allerbeste vis van de IJmond te kopen.
Dit artikel verscheen eerder in het NIW24 van 26 maart 2021