Dossiers

De Rothschilds: De stamvader: Mayer Amschel

Dankzij politieke ontwikkelingen in Europa, het vertrouwen van een puissant rijke prins, zakentalent en de onvoorwaardelijke loyaliteit van zijn vijf zoons kon Mayer Amschel Rothschild (1744–1812) een enorm bankenimperium opbouwen. De vieze, overbevolkte Judengasse in Frankfurt zou hij echter nooit de rug toekeren.

Esther Voet 21 september 2020, 10:00
De Rothschilds: De stamvader: Mayer Amschel

Met uitzondering van de Engelse koninklijke familie zullen er weinig families zijn waarover door de eeuwen heen zoveel geroddeld is als over de Joodse bankiersfamilie Rothschild. Vaak is het moeilijk feit van fictie te onderscheiden. Het brein achter de successerie Downton Abbey, schrijver en producer Julian Fellowes, werkt op dit moment aan een nieuw kostuumdrama voor televisie over de dynastie. Het NIW portretteert in een reeks artikelen vijf opvallende telgen uit dit roemruchte geslacht. Deel 4: stamvader Mayer Amschel Rothschild.

Er zijn anno 2018 nog slechts een paar funderingsstenen over van wat ooit de stinkende, volgepropte Judengasse in Frankfurt was. Maar halverwege de achttiende eeuw was het een straat waarin het hele Joodse leven van de handelsstad zich afspeelde. Antisemitisme tierde in Frankfurt nog net even weliger dan in andere Duitse steden. De Joden die zich er vanaf de twaalfde eeuw vestigden hadden meer dan eens te maken met pogroms, zoals in 1241 toen driekwart van de gemeenschap werd uitgemoord. De kinderen in de stad werd al vroeg angst voor Joden aangepraat, op school leerden ze hoe Joden christenkindertjes offerden. 

In 1458 was het keizer Friedrich III die de Joden opsloot in de Judengasse, een getto dat bestond uit een gebogen straat van nog geen vier meter breed met aan begin en einde een poort die ’s avonds, op zondagen en tijdens christelijke feestdagen dicht ging. Joden van de stad werden dan opgesloten, maar de poorten hadden ook een beschermende werking, want als je er niet uit kon, kon je er ook niet in, en dat gold voor moordende en rovende bendes die op die dagen huis wilden houden. Iedereen die een van de poorten in- of uitging, werd aan dit keizerlijke besluit herinnerd door het opschrift: ‘Onder het gezag en de bescherming van zijne majesteit de keizer van het Heilige Roomse Rijk.’ Voor die ‘bescherming’ werden hoge belastingen betaald. En verliet je het getto, dan moest je nog een extra Jodenpenning betalen. De Judengasse bood oorspronkelijk woonruimte aan zo’n 150 bewoners, rond 1760 was het inwoneraantal gestegen tot bijna 3000. De beroemdste inwoner van Frankfurt, de schrijver Johann Wolfgang von Goethe, beschreef in zijn jonge jaren al de aversie die veel inwoners tegen de Judengasse hadden. De beperkte ruimte, het vuil, de vele mensen, de klank van een nare taal – dat alles veroorzaakte een hoogst onaangename indruk, schreef hij. Zelfs als men alleen maar langs de poort liep en de straat inkeek.

Wilhelm schijnt twee hobby’s gehad te hebben, geld vergaren en onwettige kinderen verwekken

Exotische munten
In deze Judengasse werd op 23 februari 1744 Mayer Amschel Rothschild geboren. Zijn vader Moses was goudsmid en had een pandjeshuis; hij handelde in munten en antiek. Er werd boven de zaak gewoond, in een ruimte van niet meer dan drieënhalve meter wijd, waar meer dan dertig personen in huisden. Een voormalig woonhuis van de voorouders van Mayer met een rood schild aan de gevel, Zum Rothen Schild, was de reden geweest waarom de familie ooit de naam Rothschild had aangenomen. Maar al voor Mayers geboorte was de familie verhuisd naar het Huis met de Steelpan, een klein en vochtig onderkomen. Als kind leerde Mayer van zijn vader hoe je bliksemsnel wisselkoersen moest berekenen tussen daalders, dukaten, florijnen en guldens. Ze gingen allemaal door zijn handen, en ook exotischer munten zoals uit Rusland en China. Zo begon de jonge Mayer al vroeg munten te verzamelen. Zijn ouders overleefden de pokkenepidemie die door de stad waarde niet. Mayer en zijn broers werden wees toen hij elf was. Nog even plaatsten familieleden de jongen op een jesjiva in Neurenberg om hem op te laten leiden tot rabbijn. Maar dat was een leven waarvoor hij niet in de wieg gelegd was, vond Mayer na een paar maanden proberen.

Wilhelm IX in het uniform als veldmaarschalk van Pruisen, schilderij van Wilhelm Böttner

Zakelijke verbintenis
Klaarblijkelijk had Mayer zijn zaak bij de familie overtuigend bepleit want niet veel later werd hij naar Hannover gestuurd, waar hij in de leer ging bij kennissen van zijn voogden, de bank van de familie Oppenheimer. Hannover bruiste in die tijd van het leven, de Zevenjarige Oorlog woedde en de stad zat vol soldaten. Joden hadden het hier beter dan in Frankfurt. Het waren de Opperheimers die ontdekten dat Mayer een grote aanleg voor zaken had. Via hen leerde Mayer ook generaal Von Estorff kennen. Estorff had als hobby munten verzamelen en hij bewonderde de kennis en bijzondere verzameling van de jongeman. De generaal was een goede vriend van prins Wilhelm IX van HessenHanau, die tot een van de rijkste families van Europa behoorde. Ook Wilhelm had een hobby, u raadt het al: zeldzame munten verzamelen. Mayer had ze. Of vond ze. Dat zou het startsein zijn van de lange zakelijke connectie tussen Wilhelm en Mayer.

Toen de generaal een aantal jaren later van Hannover naar Frankfurt trok, waar Wilhelm in Hanau, vlakbij de stad, een enorm stuk land met 50.000 inwoners had geërfd, besloot Mayer de man te volgen, terug naar het Jood-onvriendelijke Frankfurt. Je kunt je afvragen waarom; in Hannover had hij veel meer bewegingsruimte. Maar Frankfurt am Main, vlak bij de Rijn, begon zich tot een belangrijk handelscentrum te ontwikkelen, met als hoogtepunt de jaarlijkse herfstmarkt waar handelaars uit heel Europa op afkwamen. Die herfstmarkt wordt overigens tot op de dag van vandaag gehouden. 

Het woonhuis van Mayer Amschel de Rotschild op een schilderij van Carl Theodor Reiffenstein (1875)

Joden introduceerden daar de wisselbrief, vergelijkbaar met de latere cheque. Een zakenman uit die tijd schreef: “Ik overdrijf niet als ik stel dat de stad zonder Joden niet zo machtig en welvarend zou zijn geweest.” Het is dus niet zo verwonderlijk dat Mayer zich toch weer in de Judengasse vestigde. 

Grote bewondering
Wilhelm bleek twee hobby’s te hebben, geld vergaren (hij zou zelfs als gierig bekend komen te staan) en onwettige kinderen verwekken, volgens sommige bronnen wel zeventig. Daarnaast had Wilhelm een ‘afwijking’: grote bewondering voor het zakelijk talent van Joden, hij probeerde zoveel mogelijk van ze te leren. Daarom stelde generaal Von Estorff in 1765 Mayer aan de prins voor. Mayer investeerde in het contact door de jaren daarna prins Wilhelm tegen opvallend lage prijzen munten te verkopen. En na vier jaar kwam zijn beloning: de prins benoemde hem tot kroonagent van Hessen-Hanau. Dit hield alleen maar in dat de prins erkende met Mayer zaken te hebben gedaan, vergelijkbaar met ons hofleverancierschap. Maar Mayer was hiermee wel de eerste Jood die een vorstelijk wapen aan zijn gevel mocht hangen, iets wat door de bewoners van het getto met bewondering werd gadegeslagen. Eindelijk, na zeven jaar onderhandelen besloot de huisbaas van de Rothschilds nu het Huis met de Steelpan aan Mayer te verkopen. Toen begon een andere koopman in de Judengasse, Wolf Schnapper, ook de goede vooruitzichten van de jonge man te zien. Mayer kreeg van hem permissie om met zijn slimme dochter, de zeventienjarige Gutele te trouwen. Ze zouden samen vijf zoons en vijf dochters krijgen. De twee broers die nog met Mayer in huis woonden, verkasten naar een ander adres en Mayer opende in een van de slaapkamers van de Steelpan een Wechselstube, een wisselkantoor. 

Hij had een spits baardje en droeg een pruik, maar omdat hij Joods was, mocht hij die niet poederen

Onontwikkeld
Mayer was inmiddels achter in de twintig, een lange, tengere man met donkere ogen en een licht spottende glimlach. Hij had een spits baardje en droeg een pruik, maar omdat hij Joods was, mocht hij die tot aan de Franse Revolutie niet poederen. En ja, hij droeg uiteraard een gele ster op zijn jas, zoals al zijn geloofsgenoten in Frankfurt. Ook waren Joden verplicht om niet-Joden op straat te begroeten. Jongetjes die hem het getto zagen uitkomen, schreeuwden hem nadat hij zijn Jodenpenning had betaald, vaak toe: “Jood, doe je plicht!” waarna hij keurig een buiginkje maakte en zijn hoed voor ze afnam. Hij werd in het getto gezien als een mengeling van filosoof en zakenman. Dankzij de bestudering van zijn munten had hij een grote algemene kennis. Maar als hij zijn mond opende, wist iedereen meteen dat ze niet met een ontwikkeld man te maken hadden. Hij had maar drie jaar school gehad, waardoor hij het Duits sprak noch schreef. Zijn taal was een vreemde tussenvorm van Duits en Jiddisch, het dialect dat in het getto werd gesproken. Ook de brieven die hij later aan zijn zoons zou schrijven, waren vrijwel allemaal in dat dialect, geschreven in Hebreeuwse letters. 

De Judengasse, die een grote bocht naar links maakt, op een gravure uit 1628

Evenveel als Goethe
Hij mocht nu dan hofleverancier zijn, een stapje hogerop bij de prins kwam hij voorlopig niet. Die was tevreden met de mensen die zijn zaken behartigden, onder wie een aantal hofjoden. Prins Wilhelm verdiende een vermogen met de verhuur van zijn Hessense huurlingenleger aan de hoogste bieder. Vooral de Engelsen waren dol op de Hessen en bereid daarvoor grote sommen te betalen. Toen de vader van Wilhelm (die de grootste huurlingendeal met de Engelsen ooit afsloot) stierf, erfde zoonlief zo’n enorm vermogen dat hij op slag de rijkste prins van Europa werd. Wilhelm verhuisde subiet zijn hele hof, inclusief ambtenaren, buitenechtelijke kinderen en maîtresses naar een groot paleis in het verder gelegen Kassel. Dat was in 1785, hetzelfde jaar waarin Mayer dankzij de goede zaken ook kon verhuizen. Want hoewel hij nog niet kon rekenen op de grote bedragen die een nauwere samenwerking met de prins hem zouden kunnen bieden, verdiende hij niet onaardig met zijn handel in stoffen, tabak, wijn en niet te vergeten het wisselkantoor, en verdiende een inkomen dat ongeveer gelijkstond aan dat van de beroemde Goethe. Maar waar Goethes familie op stand woonde, moesten de Rothschilds het vanwege de overbevolking in het getto en de torenhoge huizenprijzen die daar het gevolg van waren, met heel wat minder doen. 

Het gezin trok van de Steelpan naar het vrijstaande huis (een unicum in het getto) met het Groene Schild, waarvan zij de helft betrokken. Ondanks de zeer beperkte afmetingen was het huis, vlakbij de Grote Synagoge, het grootste van de straat. En het had, een grote luxe in het getto, een eigen waterpomp en een terras. Drie verdiepingen telde het: met een ouderslaapkamer, een zitkamer en een kamer waar de uiteindelijk tien kinderen zouden slapen. In de laatste kamer vestigde Mayer zijn wisselkantoor. Dit kan als het eerste bankfiliaal van de Rothschilds worden beschouwd. Op het achtererf stond een schuurtje dat Mayer verbouwde tot een soort kluis en daaronder maakte hij een ondergrondse ruimte waarvan alleen de familie wist hoe die te bereiken. In die ruimte bewaarde hij geld, waardepapieren, boekhouding en andere belangrijke zaken. De geheime plek zou later nog zeer van pas komen. Er zijn nog wat oude ansichten van het huis bewaard gebleven, maar op 18 mei 1944 werd het platgebombardeerd door de Amerikanen. 

Laag inkopen, duur verkopen
Volgens een anekdote was Mayer Amschel aanvankelijk te goed van vertrouwen. Een medewerker bleek in het volle zicht van hem te stelen. Het was Gutele die hem daarop wees. Misschien daarom vertrouwde Mayer sindsdien alleen nog zijn familie. Hij wreef zijn vijf zoons dan ook al vroeg in dat ze altijd loyaal aan elkaar moesten blijven en dat eenieder verantwoordelijk was voor de daden van de ander. Ze kwamen alle vijf op twaalfjarige leeftijd in de zaak en konden allemaal schrijven en, belangrijker nog, rekenen. Ze waren toen al doordrongen van vaders motto: laag inkopen, duur verkopen. Ook leerden ze, naar het voorbeeld van hun vader, vooral door te zetten. Dat gold voor hen allemaal: Amschel (geboren in 1773), Salomon (1774), Nathan (1777), Kalman (later Carl genoemd, 1788) en de jongste, Jakob (later James genoemd, 1792). Er waren ook vijf dochters, Schönche, Isabella, Babette, Julie en Henriëtte. Een van de dochters zou later wel de ‘officiële’ boekhouding van het bedrijf bijhouden, maar geen van hen zou een officieel aandeel in de firma krijgen. Zij zouden na hun huwelijk immers geen Rothschild meer heten, de naam waar vader zeer aan hechtte.

Karikatuur van Mayer Amschel Rothschild in Vanity Fair

Toen prins Wilhelm naar Kassel was verhuisd bleef Mayer het hof van de prins bezoeken, hoewel hij zakelijk jarenlang niet meer bereikte dan de verkoop van zeldzame munten. Tijdens een van die bezoekjes ontmoette hij Carl Buderus, de gouverneur van de acht onwettige kinderen die de prins bij zijn minnares Frau von Lindenthal had. Buderus bleek een gewiekst financieel brein, aan het hof steeg zijn ster snel. De mannen hadden eenzelfde kijk op zaken en mochten elkaar meteen. Deze vriendschap zou niet alleen voor Carl en Mayer zelf, maar ook voor prins Wilhelm van essentieel belang worden. 

Booming business
Alles veranderde toen in 1789 de Franse revolutie uitbrak. Het hof in Kassel stroomde over van Franse vluchtelingen en de prins begon het benauwd te krijgen. Wat als dat Franse virus op zijn land zou overslaan? Als het gepeupel hier ook in opstand zou komen, wat zou er dan met zijn vermogen gebeuren? Toen Pruisen en Oostenrijk Frankrijk niet veel later de oorlog verklaarden, zegde de prins zijn steun toe aan zijn oostelijke buren. In 1795 werd een wankele vrede getekend, maar Wilhelm was allang blij. Hij verhuurde zijn leger liever aan de Britten, dat leverde veel meer geld op dan voor eigen have en goed te vechten. Intussen deed ook de familie Rothschild zaken met de Engelsen. Door de oorlogen was er in Europa gebrek aan alles, en de stoff en die ze uit Engeland importeerden legden ze geen windeieren. Toen in 1795 de Fransen de Nederlanden binnenvielen moest de Amsterdamse beurs sluiten. 

Vader en zoons wisten het goud onder de neus van de Fransen bij Wellington in Portugal te krijgen

De handel verplaatste zich daardoor voor een deel naar Frankfurt, waar de beurs steeds belangrijker werd. Niet veel later bombardeerden de Fransen de stad, een groot deel van de Judengasse werd verwoest. Als gevolg daarvan gingen de poorten van het getto nu definitief open. Niet dat Mayer zijn huis met het Groene Schild verliet, maar hij huurde overal in de stad pakhuizen die hij vollaadde met Engelse goederen. In een paar jaar maakte hij zoveel winst dat hij rond 1800 een van de rijkste mensen van de stad was, zo niet de rijkste. De handel met Engeland was booming business en daarom stelde zoon Nathan, de opvliegendste maar ook briljantste van het stel, voor om zelf naar Engeland te gaan en zo de tussenhandel uit te schakelen. Nathan trok naar Manchester, het hart van de Engelse stoffenhandel. Later zou hij vertellen: “Ik besprak het op dinsdag met mijn vader, op donderdag was ik op weg.” Nathan sprak nog geen woord Engels, maar had 20.000 pond op zak en als hij goede zaken zou doen, kon hij op meer rekenen. En eindelijk, eindelijk ging dankzij tussenkomst van Carl Buderus de prins met Mayer in zee. Mayer werd zijn bankier. Het humeur van de prins werd er in die jaren niet beter op. Hij was doodsbenauwd dat zijn enorme vermogen dankzij de vele oorlogen hem zou worden ontnomen en hij ging steeds grilliger gedrag vertonen. Hij had ze niet meer allemaal op een rijtje en werd zo onhandelbaar dat zelfs zijn geliefde minnares Frau von Lindenthal tijdelijk haar biezen pakte. Haar acht kinderen nam ze mee, wat de prins tot wanhoop dreef.

Het familiewapen van de Rothschilds

Helemaal zonder reden was de angst van de prins niet. In Frankrijk maakte Napoleon Bonaparte snel carrière en die stond erom bekend nogal oorlogszuchtig te zijn. Wilhelm had steeds partij gekozen voor zijn vrienden in het oosten, en Napoleon was zich daar terdege van bewust. Toen hij in 1806 Wilhelms gebied binnenviel, moest die maken dat hij wegkwam. Hij vluchtte naar zijn broer in het noordelijker gelegen Holstein en móest nu wel op Buderus en Mayer vertrouwen om zijn fortuin veilig te stellen. In allerijl werden zoveel mogelijk schatten, waardepapieren, hypotheekcertificaten en wat dies meer zij verborgen of weggesluisd. In geheime ruimtes in Wilhelms paleis, in andere kastelen diep in het bos, en ook in Mayers geheime ruimte onder de schuur in de Judengasse. Hoewel alles wat verborgen lag in het paleis door de Fransen werd gevonden, bleef zo’n driekwart van het kapitaal van de prins over. Buderus en Mayer liepen enorm risico. De Fransen hadden er lucht van gekregen dat de mannen de zaken voor de prins behartigden en ze werden diverse malen ondervraagd, maar uiteindelijk moesten de Fransen hen laten gaan: er was geen bewijs. 

Gebrek aan goud
Er zijn veel verhalen over de manier waarop de familie gebruikmaakte van de onrust op het Europese vasteland. Bij een van de opvallendste speelt zoon Nathan een essentiële rol. Omdat die zich inmiddels had laten naturaliseren tot Brit, in Londen woonde en daar een eigen bank had geopend, kon vermogen van de prins Nathans kant op worden gesluisd. Buderus en Mayer overtuigden Wilhelm ervan in diverse projecten te investeren. Maar Nathan had een ander plan. Een groot deel van het Engelse leger bevond zich in Portugal, onder de latere hertog van Wellington. Maar door de oorlog konden de Engelsen de troepen niet betalen omdat er een enorm gebrek aan goud was. De nood was zo hoog dat Wellington de regering op een gegeven moment dreigde met terugtrekking uit Portugal. Maar Nathan vond een grote lading goud bij de East India Company. De enige manier waarop hij die kon betalen, was door gebruik te maken van het kapitaal dat de prins in bewaring had gegeven en Nathans kant op was gesluisd. Het was een groot risico, maar Buderus en Mayer waagden de gok en gaven Nathan permissie om dat goud met geld van de prins op te kopen. Nathan klopte daarna bij de Engelse regering aan. Die wist vervolgens niet hoe ze het goud bij Wellington konden krijgen. Via allerlei slinksigheden, waarmee ze enorm gevaar liepen en waarbij zelfs de nog maar achttienjarige James werd ingeschakeld, wisten vader en zoons Rothschild zelfs dóór Frankrijk, onder de neus van de Fransen, het goud bij Wellington in Portugal te krijgen. Nathan zou dat later omschrijven als ‘de beste affaire van mijn leven.’ Maar intussen was de prins des duivels, want hij kreeg maar geen bewijs van zijn investeringen in Engeland. Dat klopte, want die waren er niet; daarmee was het goud betaald. Buderus en Mayer probeerden zo lang mogelijk de prins aan het lijntje te houden. En net op tijd lukte het de schuld in te lossen. Dankzij de enorme winsten die met het ‘geleende’ vermogen van de prins waren gemaakt, kreeg die niet veel later al zijn in bewaring gegeven bezittingen terug, met stevige rente en winst. Alles werd vergeven en vergeten.

De grafzerk van Mayer Amschel Rothschild, zoals na de Tweede Wereldoorlog teruggevonden op de vernietigde Joodse begraafplaats van Frankfurt

Nieuw testament
Na dit avontuur besefte de oudere Mayer dat het tijd was zijn zaak over te doen aan zijn zoons, de naam van zijn bank veranderde in M.A. Rothschild & Söhne. Het was 1812. Terwijl Napoleon de grootste fout van zijn leven maakte door Rusland binnen te vallen, stelde Mayer een nieuw testament op waarbij zijn vijf zoons ieder een deel kregen. Ook stelde hij dat degene die de harmonie in de familie zou verstoren, slechts een deel van de inboedel zou krijgen, een schijntje in vergelijking met het vermogen van de familie. Wie Mayers testament durfde aan te vechten, werd meteen uit de familie verstoten. 

De vijf zoons Rothschild waaierden uit naar andere hoofdsteden in Europa. Nathan bleef in Engeland, James ging de Parijse tak leiden. Eén broer bleef in Frankfurt, de anderen trokken naar Napels en Wenen. 

Op 19 september 1812 stierf de man die de Judengasse nooit vaarwel had gezegd in de armen van zijn vrouw, in het huis met de vier kamers. Gutele zou er ook tot aan haar dood in 1849 blijven wonen. De ster van de Rothschilds, de naam waar Mayer zo veel belang aan hechtte, zou na zijn dood verder rijzen. Mayer Amschel Rothschild, de stamvader van die dynastie, stond in 2005 op de zevende plaats van de Forbes-lijst van invloedrijkste zakenmensen aller tijden.

Dit artikel verscheen eerder in NIW 09, 5779 en kwam mede tot stand dankzij Maror.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *