Deel 1: Het op één na oudste beroep

De Mossad wordt wereldwijd beschouwd als de meest effectieve inlichtingendienst, maar Joden spioneerden al ver voor de oprichting ervan in 1949. In een vierdelige serie belicht het NIW de Joodse geschiedenis van de spionage. Vandaag deel 1: van de twaalf spionnen uit de Tora, via de Dreyfusaffaire en de spion op wie James Bond werd gebaseerd, tot de heldendood van zioniste Sarah Aaronsohn.

De sluipschutter van de Mossad zat verborgen onder een zeil tussen bouwmaterialen. Zijn positie was goed gekozen: op een verhoging langs de weg, zodat hij zijn doelwit lang van tevoren kon zien aankomen. De sniper was bijna tweeduizend kilometer van zijn vaderland verwijderd en diep in vijandelijk gebied, maar als hij het hoofd koel zou houden kon hij voor eens en altijd afrekenen met een van Israëls gevaarlijkste tegenstanders. Zijn doelwit was niemand minder dan Mohsen Fakhrizadeh, de atoomgeleerde die Irans geheime kernwapenprogramma leidde en al veertien jaar op een Israëlische doodslijst stond.

Om ongeveer één uur ’s middags zag de sluipschutter Fakrizadehs Nissan Tenna en de begeleidende wagens met lijfwachten aankomen. Op dat moment opende hij het vuur en doorzeefde de auto met kogels. Fakhrizadeh en zijn vrouw kwamen om in de kogelregen. De schutter was ijskoud en emotieloos gebleven. Niet zo verwonderlijk, hij was een op een pick-up truck gemonteerde robot die vanuit Israël bestuurd werd door kunstmatige intelligentie, met een 7,62 mm-machinegeweer dat zeshonderd kogels per minuut afvuurde. Het spionageteam dat de inlichtingen voor de liquidatie had verzameld met behulp van een netwerk van Iraanse geheime agenten, zat op het moment van de aanval alweer veilig in Israël.

De eliminatie van de man die zo belangrijk was voor het Iraanse streven naar een atoomwapen dat het instrument van een tweede Shoa zou kunnen worden, laat zien hoe ver spionagewerk is geëvolueerd. De aanval lijkt zo uit een sciencefictionverhaal te komen. Wat niet wegneemt dat humint, een afkorting van human intelligence (door mensen verzamelde informatie) nog steeds van essentieel belang is. Waar de Amerikanen vooral op sigint – door elektronica verzamelde gegevens – bouwen, blijven de Israëli’s meesters van de menselijke maat als het op spionage aankomt: netwerken opbouwen, undercoverwerk achter de vijandelijke linies, agenten rekruteren – ook en juist onder de bevolking van de vijand.

De twaalf spionnen

Komt dit misschien doordat het Joodse volk een lange traditie van spionnen heeft? Het beroep wordt wel het op één na oudste ter wereld genoemd. Hoewel we weten dat de oude Egyptenaren en Babyloniërs inlichtingendiensten hadden, komt het eerste echte spionageverhaal uit de Tora. Jozef beschuldigt in Beresjiet zijn broers er al van spionnen van de Egyptische farao te zijn. In verschillende Bijbelboeken (vooral in Bemidbar) wordt beschreven hoe de uit Egypte ontsnapte Joden in de wildernis van de Sinaï twaalf spionnen naar Kanaän sturen. Blijkbaar waren Mosjee en zijn volgelingen er na een jaar in de Sinaï niet geheel gerust op dat zij het land zonder slag of stoot konden veroveren, hoewel God hun succes beloofd had.

Twaalf spionnen, voor elke stam één. Deze meragliem verkenden Kanaän veertig dagen lang. De eerste Joodse geheime agenten waren helaas lang niet zo betrouwbaar als hun opvolgers van de Mossad, meer dan drie millennia later. Tien van hen verklaarden bij terugkomst dat Kanaän weliswaar het land van melk en honing was, maar dat een poging tot verovering tot mislukken gedoemd zou zijn. De volken in het beloofde land waren sterk, hun steden gefortificeerd en er zouden zelfs reuzen rondzwerven. Net als nu, bleek toen hoe groot de consequenties van onbetrouwbare inlichtingen kunnen zijn. De Joden in de woestijn stonden op het punt Mosjee af te zetten als hun leider en sommigen wilden zelfs terug naar Egypte. God was op zijn beurt ongelukkig met het wantrouwen van zijn volk en strafte het met veertig jaar in de wildernis, een jaar voor elke dag dat de spionnen Kanaän verkend hadden.

Geen van de Joodse mannen zou uiteindelijk de Sinaï levend verlaten, met uitzondering van Josua en Kaleb. En dat waren nu juist de twee spionnen die wel hadden aangeraden Kanaän binnen te vallen. Josua zou de opvolger van Mosjee worden en zijn volk het Beloofde Land binnen leiden. Daar maakte hij gebruik van zijn spionage-ervaring. Tijdens de belegering van Jericho stuurde hij twee spionnen de stad in om inlichtingen in te winnen.

Rachav deed een gooi naar de titel van eerste vrouwelijke spion

Daar ontmoette het op één na oudste beroep het alleroudste toen het tweetal werd verborgen door de prostituee – of herbergierster in een meer gekuiste lezing – Rachav, die daarmee een gooi deed naar de titel van eerste vrouwelijke spion uit de geschiedenis, of zo u wilt uit de mythologie. Na de inname van Jericho door de Joden werden Rachav en haar familie gespaard, iets wat allesbehalve gebruikelijk was in die tijden.

Judit en Delila

Josua was niet de enige Bijbelse figuur die spionnen inzette. David stuurde hen af op Saul (1 Samuel 26:4) en herhaalde dat kunstje met zijn opstandige zoon Absalom (2 Samuel 15-17). De spion in kwestie wordt elders zelfs als vriend van de koning bij naam genoemd: Choesaj. Op zijn beurt bespioneerde Absalom David, maar dat mocht hem niet baten. Tot verdriet van zijn vader stierf de opstandige zoon een gruwelijke dood: vluchtend op zijn paard na een verloren veldslag bleef hij aan zijn haren in een boom hangen, om vervolgens van Davids soldaten de coup de grâce te ontvangen.

Dat ook de vroege spionnen niet schuwden meer te doen dan informatie verschaffen en hun handen vuil te maken, vertelt ons het verhaal van Judit, dat wel de katholieke, maar niet de Hebreeuwse Bijbel heeft gehaald. Judit was een wijze, dappere en beeldschone Jodin die zich ergerde aan de laffe houding van haar landgenoten tegenover hun Assyrische bezetters. Dus vertrok zij naar het kamp van generaal Holofernes. Met haar charmes won zij langzaam maar zeker het vertrouwen van de Assyrische legerleider. Bovendien beloofde zij hem informatie over de Joden te verschaffen. Toen Judit op een nacht de dronken Holofernes onthoofdde, brak dat de vechtlust van zijn troepen: de Joden waren gered. De actie maakte haar tot misschien wel de eerste dubbelspion uit de – Bijbelse – geschiedenis.

Welke man zou nog een huwelijk met Judit aandurven?

Judit zou na haar actie nooit trouwen. Niet geheel onbegrijpelijk, welke man zou dat nog aandurven?

Andersom kon natuurlijk ook, soms waren de Joden juist het slachtoffer van spionage en verraad. Wie kent niet het verhaal van Delila, die voor de Filistijnen inlichtingen inwon over de bron van de kracht van Simson? Onthoofden deed zij haar geliefde niet, wat ze misschien maar beter wel had kunnen doen nadat zij zijn haren had laten afknippen. Deze halve maatregel leidde uiteindelijk het noodlot in voor Delila’s Filistijnse opdrachtgevers. Ergens in dit verhaal is vast een moraal te vinden voor de Joden in het Midden-Oosten van vandaag de dag. Over het lot van Delila zwijgt het Bijbelboek Richteren/Sjoftiem in alle talen.

Duivelseiland

Daarna is het lange tijd stil rond Joden die het op één na oudste beroep uitoefenen. Dat kan natuurlijk ook een teken aan de wand zijn: de beste spionnen zijn immers zij die nooit ontmaskerd worden en hun werk in anonimiteit verrichten.

Het is ondenkbaar dat de twee grote Joodse opstanden tegen de Romeinen in de jaren 66–70 en 132–136, aanvankelijk zo succesvol waren geweest zonder een uitgebreid inlichtingennetwerk. Maar geschiedschrijvers als Flavius Josephus zwijgen over dit aspect van de bloedige strijd, dus weten we er niets over. In de eeuwen daarna zijn de Joden in Europa en de Arabische wereld vaker lijdend voorwerp dan onderwerp van spionage. Met name de katholieke inquisitie in Spanje zette spionnen in om na 1492 ‘geheime’ Joden op te sporen. Een uitzondering is Samuel Pallache (of Palache, ca. 1550–1616), die naast zijn werk als diplomaat voor de Marokkaanse sultan, piraat voor prins Maurits en handelaar tussen beiden, ook nog het metier van spion op zijn indrukwekkende curriculum vitae mocht vermelden.

Nog een flinke sprong in de tijd brengt ons naar de eerste grote Joodse spionageaffaire, al is dat er een waarbij geen Jood enig inlichtingenwerk verrichtte. De zaak is er niet minder belangrijk om. Op 22 december 1894 wordt de Franse kapitein Alfred Dreyfus door een unanieme krijgsraad veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens hoogverraad en spionage voor de Duitsers. Voor het front van de troep worden de epauletten en knopen van zijn tuniek afgescheurd en zijn sabel wordt doormidden gebroken. Dreyfus ondergaat de vernederingen met een indrukwekkende kalmte en waardigheid: “Onschuldig, onschuldig. Vive la France, leve het leger!” roept hij. Dreyfus wordt verbannen naar de strafkolonie Frans-Guyana, waar hij vier jaar in ziekte en eenzaamheid zal doorbrengen op het beruchte Duivelseiland.

Man of mystery

Maar in Frankrijk broeit het. Al snel blijkt dat de zaak stinkt, dat het bewijs rammelt en dat het oordeel van de krijgsraad meer gebaseerd is op antisemitisme dan op een beschaafde rechtsgang. Niet Dreyfus is de spion en verrader, maar ene Ferdinand Walsin Estherhazy – geen Jood. Erger nog, de legerleiding weet dit. In 1898 schrijft Émile Zola zijn pamflet J’accuse (‘Ik beschuldig’) en Dreyfus wordt terug naar Frankrijk gebracht voor een nieuw proces. Opnieuw wordt hij schuldig bevonden, een ander vonnis zou te veel gezichtsverlies voor het leger betekenen, maar Dreyfus wordt gratie verleend. Pas in 1906 wordt zijn naam volledig gezuiverd.

Hoe groot kunnen de consequenties van een spionageaffaire zijn? De zaak-Dreyfus leidt in Frankrijk tot het einde van de invloed van de katholieke kerk op de politiek en wereldwijd tot de stichting van de staat Israël. Tenminste, als we geloven dat Theodor Herzl echt op dat idee kwam toen hij als correspondent in Parijs tijdens l’affaire het straatgepeupel ‘dood aan de oden’ hoorde schreeuwen. Ook hier lijkt een les voor het heden te vinden.

Sidney Reilly is de klassieke meesterspion

Als de Dreyfusaffaire Frankrijk in zijn greep houdt, spioneert Sidney Reilly al jaren onder de Russische émigré-gemeenschap in Londen, op jacht naar vijanden van de tsaar. Reilly is de klassieke meesterspion. Hij trouwt een rijke weduwe en beleeft over de hele wereld het ene avontuur na het andere: in Brazilië, Zuid-Afrika, Mantsjoerije … Vrouwen willen hem, mannen willen hem zijn en Ian Fleming baseerde zijn James Bond op de man die voor vier landen, maar vooral voor zichzelf, spioneert. We weten niet eens waar of wanneer hij geboren is. Sommige bronnen hebben het over Odessa, andere over Polen. Een echte international man of mystery dus. Het enige waar men het over eens lijkt te zijn is dat zijn ware achternaam Rosenblum is.

Het Vertrouwen

In Sint-Petersburg laat Reilly zich betalen door zowel de Britten als de Japanners voor informatie over de Russische marine. In 1909 steelt hij geheime plannen voor Duitse kanonnen uit een safe van de firma Krupp in Essen. Daarbij wurgt hij een bewaker. Licence to kill, u begrijpt waarom Fleming zijn 007 op Reilly baseerde. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zou hij in New York sabotageacties hebben uitgevoerd, die aan de Duitsers worden toegeschreven – een fenomeen dat in de spionagewereld als false flag-operaties bekend staat. Op die manier moet Washington ervan overtuigd worden militair in te grijpen ten gunste van de Britten en Fransen.

Direct na de oorlog wordt Reilly door de Britse inlichtingendienst MI1 naar Rusland gestuurd om daar contrarevolutionaire activiteiten te organiseren. Zijn pogingen Lenin te laten vermoorden en een antibolsjewistische staatsgreep te plegen, mislukken en de Tsjeka, de gevreesde communistische geheime dienst, maakt meedogenloos jacht op hem. Maar Reilly, een meester in vermommingen, bluft zich langs de ene na de andere wegversperring, en slaagt erin via Oekraïne en Azerbeidzjan het land te ontvluchten. In 1925 keert hij terug naar Rusland om een anticommunistische organisatie met de omineuze naam Het Vertrouwen bij te staan. Helaas, van echt vertrouwen is geen sprake, de organisatie blijkt een contraspionageplan van de Sovjets te zijn. Reilly wordt gearresteerd, waarschijnlijk gemarteld en op 5 november 1925 in de bossen buiten Moskou geëxecuteerd.

Onzichtbare wapens

Terwijl Sidney Reilly succesvol voor de Britten tegen de Duitsers spioneert, doet Julius Silber dat andersom. Een prestatie, slechts weinig spionnen slagen daar in de eerste decennia van de twintigste eeuw in. Maar Silber kent de Britten uit zijn tijd in Zuid-Afrika, waar hij hun taal en gebruiken tot in de perfectie heeft leren kopiëren. Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, leeft hij comfortabel in New York, maar wordt gegrepen door patriottisme voor zijn vaderland Duitsland. Via Canada reist hij naar Londen, waar hij wordt aangenomen bij de censuurafdeling van het Britse leger. Een perfecte plek om achter geheimen te komen en een nog betere om deze door te sturen. Silber neemt simpelweg al geopende en bekeken enveloppen en stuurt deze naar Duitse agenten die bij de Britse geheime dienst al bekend zijn . Omdat de post al gecensureerd lijkt te zijn, neemt niemand de moeite de brieven nogmaals te controleren.

In 1925 keert Silber terug naar zijn geboorteland en om extra zout in de Britse wonden te wrijven, schrijft hij een autobiografie over zijn spionagewerk: De onzichtbare wapens (1932). Lang blijft de Duitse staat niet dankbaar voor zijn verdienste, in 1935 stemt de Rijksdag in Berlijn unaniem in met de wet die Joden hun staatsburgerschap afneemt. Silber ontvlucht zijn geliefde vaderland en verdwijnt in 1939. Volgens recente naspeuringen van een familielid zou hij in 1939 in Lissabon zelfmoord gepleegd hebben.

Minna Weizmann laat zich letterlijk verleiden voor de Duitsers te spioneren

Er zijn ook minder succesvolle Joodse spionnen. Terwijl de eerste zionistische spionnen in de Ottomaanse provincie Palestina de kant van de Britten kiezen, laat Minna Weizmann zich ertoe verleiden voor de Duitsers en tegen de Britten te spioneren. Dat verleiden gebeurt letterlijk. De man die haar overtuigt, is haar minnaar, de Duitse spion Curt Prüfer. Deze stuurt Minna, bijgenaamd ‘Fanny’, naar Egypte, waar zij als arts met open armen wordt ontvangen. Fanny is mooi en charmant en gebruikt die charmes om informatie los te peuteren van Britse officieren. Maar hoe die inlichtingen het land uit te smokkelen? Weizmann begeleidt een gewonde Franse soldaat terug naar zijn geboorteland als dekmantel, in Rome zal zij een tussenstop maken bij de Duitse ambassade.

De eeuwigheid van Israël

Maar Minna is geen professional en beseft niet dat de Britten de ambassade in de gaten houden. Zij wordt gearresteerd en terug naar Egypte gestuurd voor berechting en waarschijnlijk executie. Anders dan de Fransen die (de niet-Joodse) Margaretha Geertruida Zelle, beter bekend als Mata Hari, pardoes doodschieten vanwege haar spionageactiviteiten voor de Duitsers, blijken de Britten echte gentlemen en dus niet bereid Weizmann voor het vuurpeloton te zetten. Of zijn de officieren van de krijgsraad nog steeds onder de indruk van Fanny’s charmes? Zij wordt zo mild behandeld dat de CIA zich later zal afvragen of ze misschien een dubbelspion voor de Britten was.

Minna Weizmann keert terug naar Palestina en zet haar carrière als arts voort. Haar ex-minnaar Curt Prüfer zal later de contactpersoon voor de nazi’s worden van de beruchte grootmoefti van Jeruzalem, Hadj Amin al-Hoesseini. Minna brengt haar familie nog meer schande toe door in Jeruzalem met een christelijke man te trouwen. Zeker in die tijden not done voor een Joodse die ook nog eens het zusje was van Chaïm Weizmann, zionistenleider en de eerste president van Israël.

We begonnen dit verhaal met de Israëlische inlichtingendienst en daar eindigen we ook mee. Tenminste, een zeer vroege voorloper daarvan. Het eerste zionistische spionagenetwerk in Palestina is vooral een familieaangelegenheid. In 1915 vormen de twee gebroeders en de zusjes Aaronsohn Nili, een acroniem dat vertaald ‘De eeuwigheid van Israël zal nooit misleiden’ betekent. De Aaronsohns – Aaron, Alex, Sarah, Rivka en haar verloofde Avshalom Feinberg – hebben besloten dat onder Brits bestuur de kans op een onafhankelijke Joodse staat het grootst is en dus zijn zij bereid voor de geallieerden en tegen het Ottomaanse Rijk te spioneren.

Heldin van het zionisme

Aaron, de oudste van de vier Aaronsohns, is een befaamd agrarisch ingenieur, wat hem de kans biedt door de regio te reizen en aantekeningen te maken zonder de argwaan van de Turken op zich te laden. De jongste, Sarah, besluit zich bij haar broers spionagewerk aan te sluiten als zij in Turkije met eigen ogen getuige is van de genocide op de Armeniërs. Het werk is levensgevaarlijk: Feinberg verdwijnt in 1917 in de Sinaï als hij vanuit Egypte Palestina probeert te infiltreren. Zijn lichaam wordt pas tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 door Israëlische soldaten gevonden. Tegen het dringende advies van broer Aaron keert Sarah na Feinbergs verdwijning vanuit Egypte terug naar Palestina om daar de leiding van het inmiddels veertig agenten tellende netwerk op zich te nemen.

Het gaat niet lang goed. Een Britse postduif landt op het dak van een Turkse officier en de boodschap aan Sarah is snel ontcijferd. Begin oktober 1917 wordt zij gearresteerd door de Turken. Vier dagen lang wordt Sarah gemarteld, maar zij onthult niets. Op de vijfde dag krijgt zij toestemming in haar woning in Zikhron Ja’akov onder gewapende begeleiding schone kleren op te halen. In de badkamer schrijft zij snel een afscheidsbriefje voordat zij een daar verstopt pistool tevoorschijn haalt en zich door het hoofd schiet.

‘Als helden stierven wij en bekenden niet’

Het zijn de laatste woorden van een van de eerste vrouwelijke martelaren van het zionisme: “Als helden stierven wij en bekenden niet.”

Niet iedereen in de jisjoev, de Joodse gemeenschap in Palestina vóór de stichting van de staat Israël, is dankbaar voor Sarahs offer. Velen vrezen een gewelddadige reactie van de Turken op het werk van Nili, misschien zelfs een lot dat lijkt op dat van de Armeniërs. Ook staan de rabbijnen niet toe dat Sarah op de begraafplaats van haar woonplaats bijgezet wordt: zij vinden haar zelfmoord in strijd met de regels van het geloof. Gelukkig slaat die houding in de loop der decennia volledig om. De agenten van Nili worden inmiddels erkend als helden van het zionisme en pioniers van de succesvolle Israëlische inlichtingengemeenschap. Over dat laatste kan Mohsen Fakhrizadeh, de Iraanse kerngeleerde, een aardig woordje meespreken – al moet hij dat wel doen met 72 maagden.

Dit artikel verscheen eerder in het NIW16 van 14 januari 2022

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Spionnen

Deel 2: Heldendom voor en achter de linies