Deel 3: Verblind door ideologie

De Mossad wordt wereldwijd beschouwd als de meest effectieve inlichtingendienst, maar Joden spioneerden al ver voor de oprichting ervan in 1949. In een vierdelige serie belicht het NIW de Joodse geschiedenis van de spionage. Vandaag deel 3: de Sovjetspionnen.
Julius en Ethel Rosenberg nadat zij op 29 maart 1951 schuldig waren bevonden aan spionage  
Roger Higgins/Library of Congress
Julius en Ethel Rosenberg nadat zij op 29 maart 1951 schuldig waren bevonden aan spionage  Roger Higgins/Library of Congress

Het aantal Joden dat voor de Sovjet-Unie spioneerde, is bijna niet te tellen. In Amerika probeerden zij achter de geheimen van de atoombom te komen, in Groot-Brittannië hielpen zij de geheime dienst te infiltreren en in Israël spioneerden zij zelfs tegen de Joodse staat.

Julius Rosenberg stierf op 19 juni 1951 om acht uur ’s avonds aan de eerste hem toegediende elektrische schok van meer dan tweeduizend volt. Zijn vrouw had minder geluk. Na drie stroomstoten constateerden de gevangenisartsen dat zij nog in leven was. De beul gaf de in een groene jurk met witte stippen geklede Ethel Rosenberg twee extra schokken. Zij stierf om zestien minuten over acht. Dat tijdstip was het gevolg van een bizar juridisch steekspel. Eigenlijk hadden de Rosenbergs om elf uur ’s avonds moeten sterven op ‘Old Sparky’, de gevreesde elektrische stoel van de Sing Sing-gevangenis in New York.

De advocaten tekenden protest aan omdat de executie op sjabbes zou vallen

Hun advocaten hadden echter protest aangetekend, omdat de executie tijdens sjabbes zou vallen. Zij hoopten op uitstel, maar rechter Irving Kaufman, zelf Joods, loste het juridisch-theologische probleem op door de executie drie uur te vervroegen. Toen iets voor negen uur de sjabbat begon, waren de twee hoofdrolspelers uit de beruchtste Amerikaanse spionagezaak van de twintigste eeuw dood.

Julius en Ethel Rosenberg werden twee dagen later begraven, maar getuige de tienduizend daarbij aanwezige rouwenden, was hun zaak dat allerminst. Veel progressieve Amerikanen zagen het echtpaar Rosenberg als slachtoffer van de angst voor het communisme die in die jaren door de samenleving waarde. Sylvia Plath en Bob Dylan schreven over de zaak en tot op de dag van vandaag strijden nabestaanden voor eerherstel. In het geval van Julius ten onrechte, in dat van Ethel waarschijnlijk terecht. Zij was weliswaar op de hoogte van het hoogverraad van haar echtgenoot, maar dat was achteraf beschouwd te weinig grond om haar de doodstraf op te leggen.

Julius Rosenberg vormde het hart van een groep Joods-Amerikaanse spionnen die geheime informatie doorspeelde aan de NKVD, de inlichtingendienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken in de Sovjet-Unie. Rosenberg werkte in 1942 voor het Army Signal Corps, de afdeling van het Amerikaanse leger waarlangs alle belangrijke communicatie ging. Daar werd hij gerekruteerd door Semjon Semjonov, een Russisch-Joodse NKVD-agent. Op zijn beurt slaagde Rosenberg, al sinds zijn jonge jaren overtuigd communist, erin anderen over te halen voor de Sovjets te spioneren. De meesten waren Joods, zoals zijn collega bij het Signal Corps Joel Barr, fysicus William Perl en ingenieur Morton Sobell, beiden werkzaam in de defensie-industrie.

Hartstochtelijk medepleger

De grootste vangst voor de Sovjets was David Greenglass, Rosenbergs zwager. Greenglass werkte in het geheime laboratoriumcomplex in Los Alamos, New Mexico, aan het Manhattanproject: de ontwikkeling van de Amerikaanse atoombom. De broer van Ethel Rosenberg begon vanaf 1944 nucleaire geheimen door te spelen aan de NKVD. De dominostenen begonnen om te vallen toen de (niet-Joodse) natuurkundige Klaus Fuchs in 1950 bekende in Los Alamos voor de Sovjets te spioneren. Zijn koerier, Harry Gold, bracht de FBI op het spoor van Greenglass, die in ruil voor strafvermindering de Rosenbergs verraadde. De hele groep werd opgerold en veroordeeld, maar de Amerikaanse overheid zag het echtpaar als de kwade genius. Greenglass en Gold getuigden tegen de Rosenbergs. De rechter achtte het echtpaar niet alleen schuldig aan hoogverraad, maar meende ook dat zij tienduizenden doden op hun geweten hadden. Immers: hadden de Sovjets in Korea gewaagd de communistische agressie te steunen als de VS nog het alleenrecht op de atoombom had gehad?

Grote namen pleitten ook na het uitspreken van het doodvonnis voor clementie. Jean-Paul Sartre, Albert Einstein en Frida Kahlo voerden actie voor de Rosenbergs, waarbij de beschuldiging dat het Amerikaanse rechtssysteem antisemitisch was meer indruk gemaakt zou hebben als rechter Kaufman niet zelf Joods was geweest. Zelfs de paus deed een beroep op president Dwight D. Eisenhower. Allemaal zonder succes. Na hun executie in juli 1951 werden de Rosenbergs martelaren voor hun linkse sympathisanten. Hun kinderen pleitten decennialang voor eerherstel. Maar het bewijs tegen Julius was niet te ontkennen. Sovjetleider Nikita Chroesjtsjov gaf in de jaren zestig toe dat Rosenberg een belangrijke spion was geweest.

Toen na de val van het IJzeren Gordijn de KGB-archieven geopend werden, bleek nog duidelijker dat Julius Rosenberg voor de communisten had gespioneerd. Ethels rol bleek minder belangrijk en rechtvaardigde haar doodvonnis niet, al had zij zich als hartstochtelijk medepleger van haar echtgenoot wel degelijk aan landverraad schuldig gemaakt.

Held van de Russische Federatie

De Rosenbergs waren niet de enige Amerikaanse Joden die voor de Sovjets spioneerden.

Bijna alle spionnen bij het atoombomproject waren van Joodse afkomst

Bijna alle geleerden en andere medewerkers van het Manhattanproject die atoomgeheimen aan Moskou doorspeelden, waren van Joodse afkomst. David Greenglass en Harry Gold, de koerier van Klaus Fuchs, werden relatief mild gestraft na hun getuigenissen tegen de Rosenbergs: zij kregen respectievelijk vijftien en dertig jaar gevangenisstraf opgelegd. De oud-strijder van de Internationale Brigades in de Spaanse Burgeroorlog Morris Cohen leverde al in 1945 zijn Russische contacten een bouwtekening van de atoombom. In 1961 werd hij gearresteerd en na acht jaar gevangenis samen met zijn vrouw geruild tegen westerse spionnen die door de Sovjets waren gepakt.

Schematische tekening van Fat Man, de Amerikaanse atoombom die op 9 augustus 1945 Nagasaki verwoestte  
Los Alamos National Laboratory

De meeste Joodse spionnen kwamen weg met hun werk voor de Sovjet-Unie. Arthur Adams, codenaam ‘Achilles’, ontsnapte in 1945 aan de surveillance van de FBI en vluchtte naar de Sovjet-Unie, waar hij postuum tot Held van de Russische Federatie werd benoemd. Hij werd drie jaar later gevolgd door George Koval, codenaam ‘Delmar’, die dezelfde onderscheiding ontving van president Vladimir Poetin. Ook Bruno Pontecorvo, de Italiaans-Joodse rechterhand van natuurkundige Enrico Fermi, in sommige opzichten nog meer ‘de vader van de atoombom’ dan projectleider Robert Oppenheimer, liep in 1950 over naar de Sovjets. Wonderkind Theodor Hall (geboren als Holtzberg) was de jongste natuurkundige in Los Alamos. Hij kreeg van de Russen de codenaam ‘Jong’, terwijl zijn medespion en Harvard-kamergenoot Saville Sax in Moskou als ‘Oud’ bekend was. Hun spionagewerk kwam pas aan het licht na de val van de Sovjet-Unie. Dat gold in extremis voor Oscar Seborer, codenaam ‘Godsgeschenk’. Zijn verraad werd pas in 2019, vier jaar na zijn dood, ontdekt.

__________________________________________________________________________________________

Commissariaat van het Kwaad

Hoewel de NKVD (het ‘Volkscommissariaat voor Interne Aangelegenheden’) eigenlijk het gehele ministerie van Binnenlandse Zaken van de Sovjet-Unie besloeg, kennen we de organisatie tegenwoordig vooral als de voorloper van de KGB, de Russische inlichtingendienst. Van het begin af aan speelden Joodse Sovjetfunctionarissen een belangrijke rol in de organisatie. De NKVD was verantwoordelijk voor praktisch alle spionagepraktijken in binnen- en buitenland en was instrumenteel bij de zuiveringen van Stalins – vermeende – politieke tegenstanders. Schattingen van het aantal slachtoffers hiervan lopen in de miljoenen. Dit ging vaak ten koste van de eigen medewerkers: bijna alle belangrijke NKVD-medewerkers werden door de organisatie zelf om het leven gebracht.

Genrich Jagoda was als rechterhand van Felix Dzerzjinski, de gevreesde oprichter van de Tsjeka, de eerste geheime politie van de Sovjet-Unie, medeverantwoordelijk voor de ‘Rode Terreur’ tussen 1918 en 1922. Van 1924 tot 1931 leidde Jagoda de OGPU, de opvolger van de Tsjeka. In die functie overzag hij de ontwikkeling van de ‘Goelag-archipel’, het systeem van concentratiekampen in het oosten van de Sovjet-Unie. In 1934 benoemde Stalin Jagoda tot hoofd van de NKVD, waarmee hij verantwoordelijk werd voor zowel de gewone als de geheime politie – en daarmee voor alle zuiveringen van Stalins tegenstanders. In 1938 werd hij daar zelf slachtoffer van. Na een showproces werd Jagoda schuldig bevonden aan verraad en samenzwering en onmiddellijk geëxecuteerd.

Abram Slutsky was onder Jagoda het hoofd van de INO, de buitenlandse spionagedienst van de NKVD. In die functie was hij verantwoordelijk voor de jacht op aanhangers van Stalins concurrent Leon Trotski (geboren als Lev Bronstein), vooral degenen die als vrijwilliger in de Spaanse Burgeroorlog vochten. Ook slaagden zijn agenten erin in Groot-Brittannië de ‘Cambridge Five’ te rekruteren. Slutsky werd in 1938 vermoord in opdracht van Jagoda’s opvolger Nikolaj Jezjov. Zijn eveneens Joodse opvolger Sergej Spigelglas, voormalig topspion in Parijs, leidde de INO slechts zeven maanden. Eind 1938 werd hij gearresteerd, gemarteld en leverde een bekentenis af. Spigelglas werd geëxecuteerd in 1941.

Niet alle Joodse topfunctionarissen van de NKVD lieten zich als makke schapen naar de slachtbank leiden. Ignatz Reiss, NKVD-spion in Parijs, zag hoe zijn collega’s een voor een verdwenen als zij naar Rusland werden teruggeroepen. Toen hij zelf opdracht kreeg rapport uit te brengen in Moskou, vluchtte Reiss met zijn gezin naar Zwitserland. Het mocht niet baten, de arm van de NKVD was te lang: in september 1937 werd zijn door kogels doorzeefde lichaam gevonden in de berm van een Zwitserse landweg. Een vergelijkbaar lot trof zijn vriend en NKVD-collega Walter Krivitsky. Deze liep na de moord op Reiss over naar het Westen, waar hij het boek In Stalins geheime dienst publiceerde. In februari 1941 werd Krivitsky dood aangetroffen in een hotelkamer in Washington. Zelfmoord, oordeelde de gerechtsschouwer. Precies zoals de NKVD, die jaren op Krivitsky had gejaagd, het graag gezien zou hebben.

De grote uitzondering was Alexander Orlov (geboren als Leiba Feldbin), de spion die de NKVD verraadde en het kon navertellen. Orlov was hoofd van de Russische spionagedienst in Spanje tijdens de Burgeroorlog, toen ook hij het gevreesde bevel kreeg zich in Moskou te melden. Hij wist wat hem daar te wachten stond, maar ook welk lot hem als overloper boven het hoofd zou hangen. Daarom schreef hij een brief aan Stalin persoonlijk, waarin hij beloofde zijn mond te houden als de Sovjets hem en zijn familie zouden sparen. Beide zijden hielden zich aan hun woord: Orlov publiceerde zijn boek De geheime geschiedenis van Stalins misdaden pas na de dood van de dictator in 1953. Alexander Orlov stierf in 1973 op 77-jarige leeftijd een natuurlijke dood.

__________________________________________________________________________________________

Vuurpelotons

Het is niet uit te sluiten dat er in de toekomst nog meer spionageverhalen over het Manhattanproject aan het licht komen, waarbij de vraag rijst waarom zoveel Amerikaanse Joden voor de Sovjets spioneerden. Ja, de atoomspionnen werden voor hun werk door de Russen betaald – het Democratische parlementslid Samuel Dickstein verdiende met zijn spionagewerk voor de NKVD een klein vermogen – maar zonder uitzondering waren zij overtuigde communisten. Natuurlijk had de socialistische ideologie grote aantrekkingskracht op veel Joden, zeker wanneer zij a­fkomstig waren uit het door pogroms geteisterde oostelijke deel van Europa. Joden stonden aan de wieg van vakbonden en linkse politieke partijen: in Europa, later in Israël en ook in de VS. Maar het moet voor de Amerikaanse autoriteiten moeilijk te verkroppen zijn geweest dat zoveel kansrijke en succesvolle wetenschappers – niet bepaald leden van het lompenproletariaat – hun nieuwe vaderland verraadden. Vooral omdat dit gebeurde op een moment dat de misdaden van de antisemitische Sovjetdictator Jozef Stalin al lang en breed bekend waren.

Veel hoogopgeleiden geloofden nog steeds in de utopie van het communisme

Terwijl in Rusland Joodse communisten met duizenden tegelijk gemarteld werden, naar concentratiekampen in Siberië gestuurd of simpelweg door vuurpelotons geëxecuteerd, geloofden veel hoogopgeleiden in Europa en de VS nog steeds in de utopische samenleving die het communisme hun voorspiegelde. En bleven dat – al dan niet tegen beter weten in – nog vele decennia doen.

Hoogverraad uit naïviteit, blindheid uit ideologie? In ieder geval had niet alleen Washington een probleem met Joodse spionnen. Het rekruteren van de Cambridge Five moet beschouwd worden als een van de grootste overwinningen van de Sovjetinlichtingendiensten. De vijf werden genoemd naar hun alma mater en waren de inspiratie voor John le Carré’s roman en de nog betere verfilming Tinker taylor soldier spy. Zij waren jarenlang actief voor de Russische geheime diensten terwijl zij in de top van de Britse inlichtingendiensten en het ministerie van Buitenlandse Zaken werkten. Geen van de ‘five’ was zelf Joods, maar Joodse spionnen speelden wel een belangrijke rol in deze meest beschamende spionagezaak in de Britse geschiedenis.

__________________________________________________________________________________________

‘Ik was maar een koerier’

Ursula Kuczynski was de handler (contactpersoon) van Manhattanprojectgeleerde Klaus Fuchs. Afkomstig uit een Berlijnse seculier-Joodse familie sloot zij zich al op jonge leeftijd aan bij de Duitse Communistische Partij. Kuczynski spioneerde met de codenaam Sonja Schultz of ‘Agent Sonja’ voor de NKVD in China, Zwitserland en in Groot-Brittannië. Ondanks vermoedens in inlichtingendienst MI5 vonden de Britten nooit bewijs voor haar samenwerking met Fuchs en een andere atoomspion, Melita Norwood. Na de Tweede Wereldoorlog keerde Kuczynski terug naar Duitsland, het communistische Oost-Duitsland welteverstaan. Daar werd zij een succesvol schrijfster onder de namen Ursula Beurton (gebruikmakend van de naam van haar tweede echtgenoot) en Ruth Werner (de achternaam van echtgenoot nummer 3). Het autobiografische Sonja’s rapport werd in 1977 een bestseller in de DDR.

Kuczynski betreurde de val van de Muur in 1989 en weigerde kritiek te leveren op het communisme of de misdaden van het Sovjetregime te erkennen. Dit ondanks het feit dat haar eerste echtgenoot, Rudolf Hamburger, in 1943 naar een kamp in de Goelag werd gestuurd en dat ternauwernood overleefde. Haar bescheidenheid over haar eigen rol als Sovjetspion – “Ik was niet meer dan een koerier” – doet denken aan zoveel Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog hun eigen rol onder het nationaalsocialisme bagatelliseerden en nooit echt afrekenden met de misdaden waaraan zij actief of door passiviteit hadden meegewerkt.

__________________________________________________________________________________________

Rothschild

De in 1903 in Wenen geboren Arnold Deutsch rekruteerde Kim Philby, een hoge functionaris bij de Britse buitenlandse inlichtingendienst MI6 en waarschijnlijk de meest schadelijke van de vijf communistische spionnen, en zijn vrouw Litzi Friedmann in 1934. Philby scheidde van zijn Joodse vrouw omdat zij bekend stond als een hartstochtelijk communiste. Zonder haar kon hij gemakkelijker doordringen tot de hoogste regionen van de Britse inlichtingendiensten. Daarna rekruteerde Deutsch – codenaam ‘Otto’ – nog twee van de Cambridge Five: Donald Maclean en Guy Burgess. Deutsch werd bijgestaan door de Canadees-Joodse Kitty Harris, codenaam ‘Ada’, koerierster en mogelijk minnares van Maclean. Arnold Deutsch was tot 1937 de supervisor van de Cambridgespionnen, maar zelfs dat enorme succes garandeerde niet zijn veiligheid tijdens Stalins zuiveringen. In 1937 werd hij teruggeroepen naar Moskou. Tot de verrassing van velen overleefde hij de ondervraging door zijn Russische NKVD-collega’s, maar hij verdween spoorloos in 1941. Waarschijnlijk verdronk Deutsch in de Atlantische Oceaan toen het Russische schip Donbas door een Duitse onderzeeboot getorpedeerd werd.

Deutsch werd bij zijn rekruteringswerk geholpen door een andere uit Wenen afkomstige Joodse spion, Edith Tudor-Hart (geboren als Edith Suschitzky). Tudor-Hart was een goede vriendin van Litzi Friedmann en legde het contact tussen haar en Arnold Deutsch. Zelf rekruteerde zij Anthony Blunt, een ander lid van de Cambridge Five. Tudor-Hart, die vóór haar spionagecarrière fotografie had gestudeerd in Walter Gropius’ Bauhaus in Dessau, werd nooit ontmaskerd. Na de oorlog baatte zij een kleine antiekwinkel uit in Brighton, waar zij in 1973 stierf.

De ‘Cambridge Five’ kwamen grotendeels weg met hun spionageactiviteiten

Sowieso kwamen de Cambridge Five grotendeels weg met hun spionageactiviteiten. Philby, Maclean en Burgess ontsnapten naar Rusland en toen Anthony Blunt een bekentenis aflegde, was dat zo gênant voor de Britse inlichtingengemeenschap dat de hele affaire in de doofpot werd gestopt. De identiteit van de vijfde spion, John Cairncross, raakte pas bekend na de val van het IJzeren Gordijn in 1990. Een saillant detail vormen de beschuldigingen dat ook baron Victor Rothschild lid van de Cambridge-spionagegroep was. Hoewel sluitend bewijs nooit werd geleverd, bleven de geruchten toch altijd aan Rothschild kleven. Al leek zijn carrière daar nauwelijks onder te leiden: na zijn werk voor MI5 in de Tweede Wereldoorlog, maakte de baron carrière bij Shell en de bank N.M. Rothschild & Sons, en was hij adviseur van de Conservatieve premiers Edward Heath en Margaret Thatcher.

Communistische sympathieën

Net zoals hun Joodse collega’s in de VS die de Amerikaanse atoomgeheimen aan de Sovjet-Unie verraadden, waren de Cambridge Five overtuigde communisten, ondanks hun afkomst uit het machtige en welvarende deel van de Britse gemeenschap. Dat gold ook voor de Joodse spionnen die hen rekruteerden en als koeriers met hen werkten. Maar kan ideologische overtuiging zover doorslaan dat Joden zelf tegen een Joodse staat spioneren? Het lijkt ondenkbaar, maar er zijn zeker vier gevallen bekend van Israëli’s die staatsgeheimen verraadden aan de Sovjet-Unie.

Israel Beer werkte voor het ministerie van Defensie in Tel Aviv toen hij in 1961 werd betrapt met een koffer vol geheime documenten die hij aan een medewerker van de Russische ambassade wilde geven. Tijdens zijn verhoor bleek dat Beers levensgeschiedenis voor hij eind jaren dertig naar het Mandaatgebied Palestina migreerde, verzonnen was. Hij had niet aan de militaire academie van Wenen gestudeerd en ook niet als vrijwilliger in de Spaanse Burgeroorlog gevochten. Maar de ondervragers kwamen nooit achter zijn werkelijke achtergrond, anders dan dat hij sympathie voor het communisme had. Beer stierf in 1966 in de gevangenis. De motieven van Shabtai Kalmanovich lijken minder ideologisch van aard, hij spioneerde voor de KGB omdat hij faalde als ondernemer. Als medewerker van het Government Press Office en de Knesset in Jeruzalem, verkocht Kalmanovich geheimen over Joodse dissidenten in het Oostblok. Toen hij in 1988 tegen de lamp liet, werd hij tot zeven jaar cel veroordeeld. Kalmanovich zat er vijf uit, waarna hij naar Rusland vertrok om daar als zakenman wel succes te vinden. Tot 2009 tenminste, in dat jaar werd hij in Moskou vermoord in wat een criminele afrekening leek.

__________________________________________________________________________________________

De man zonder gezicht

Zelf ontkende John le Carré het, maar volgens veel van zijn lezers was de in zijn romans terugkerende KGB-spionagebaas ‘Karla’ gebaseerd op Markus Wolf, het Duits-Joodse hoofd van de Hauptverwaltug Aufklärung, de buitenlandse tak van de Oost-Duitse inlichtingendienst Stasi. Wolf, bijgenaamd ‘Mischka’, mag met recht een meesterspion genoemd worden: hij was een van de oprichters van de buitenlandse spionagedienst van de DDR in 1952. Desondanks wisten inlichtingendiensten in het Westen tot 1978 niet hoe hij er uitzag. Vandaar zijn bijnaam bij CIA en MI6: The man without a face.

Wolf ging in 1986, kort voor de val van de Muur, met pensioen. Na de Wende ontvluchtte hij Duitsland, maar vond geen politiek asiel in Oostenrijk en Rusland. Toen hij terugkeerde, werd Wolf gearresteerd door de Duitse politie. Zijn veroordeling wegens landverraad werd in hoger beroep vernietigd omdat de DDR als een andere staat dan de Bondsrepubliek Duitsland werd beschouwd. Zo ontliep Markus Wolf uiteindelijk zijn straf. Ondanks het romantische beeld van de ongrijpbare gentleman-meesterspion, was hij wel degelijk verantwoordelijk geweest voor de moord op honderden Oost-Duitsers die gearresteerd werden wegens samenwerking met westerse inlichtingendiensten. Enkel omdat zij geloofden in een samenleving waar het individu wél vrij was om zijn toekomst te kiezen.

__________________________________________________________________________________________

Huisarrest

De meest geruchtmakende spionagezaak was die van Marcus Klingberg. Na de Tweede Wereldoorlog maakte Klingberg, zoon van chassidiem uit Polen, alia naar Israël. In de oorlog had hij voor het Rode Leger gevochten en zijn ouders in Treblinka verloren. In 1957 ging Klingberg als arts en IDF-officier aan het werk in het Israël Instituut voor Biologisch Onderzoek, waar onderzoek werd gedaan naar (de effecten van) chemische en biologische wapens. Hij maakte snel carrière, werd plaatsvervangend wetenschappelijk directeur en hoofd van de afdeling epidemiologie.

Afdelingshoofd Klingberg speelde alle geheimen van het instituut door naar de KGB

Wat zijn collega’s in het IIBO niet wisten, was dat Klingberg al vanaf de eerste dag de geheimen van het instituut aan de KGB doorspeelde. Pas in 1983 werd hij ontmaskerd, toen een Russisch-Joodse KGB-agent in Israël als dubbelagent voor de Mossad ging werken. Klingberg werd tot twintig jaar veroordeeld. In de gevangenis was hij celmaat van een vierde Sovjetspion, Shimon Levinson.

Klingbergs motieven zijn nooit helemaal helder geworden. Hij zou overtuigd communist zijn, maar hij verklaarde ook door de KGB afgeperst te zijn. Een derde motief zou kunnen liggen in de dank die hij dacht verschuldigd te zijn aan de Sovjet-Unie voor het bevrijden van de nazivernietigingskampen.

Marcus Klingberg tijdens zijn proces Flash90

In 1997 werd zijn straf om medische redenen omgezet in huisarrest, onder andere na aandringen van Amnesty International. Zoals wel vaker bij gevangenen die wegens ziekte worden vrijgelaten, leefde Klingberg tot de rijpe leeftijd van 97 en stierf hij in 2015 in Parijs. In dat opzicht had hij meer geluk dan Julius en Ethel Rosenberg. Hun beroep op genade viel in de dovemansoren van rechter Irving Kaufman. Voor hen geen clementie, geen omzetting van de dood- naar gevangenisstraf en al zeker geen huisarrest. Zelfs geen dag sjabbatuitstel.

Dit artikel verscheen eerder in het NIW26 van 25 maart 2022

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Spionnen

Deel 3: Verblind door ideologie