Achtergrond

Geluk na een valse start

In 2020, 75 jaar na de bevrijding, publiceert het NIW met dank aan Maror een serie van acht getuigenissen van Joden die vertellen hoe het hen verging in die eerste jaren na de Shoa. Hoe was de ontvangst toen ze terugkwamen uit het kamp, de onderduik of na de vlucht? Deze keer: Myrna en Mattie Tugendhaft, die zonder het van elkaar te weten door dezelfde Amerikaan werden bevrijd.

Esther Voet 19 september 2021, 15:00
Geluk na een valse start

Dit artikel verscheen eerder in NIW 1 – 5781

Myrna en Mattie Tugendhaft, een mooi Joods koppel. Hun jeugd gaf hun niet bepaald een goede start. Myrna zat als kind in Bergen-Belsen, Mattie zat op een onderduikadres waar hij werd mishandeld. Het toeval wil dat ze door dezelfde Amerikaan zijn bevrijd. Een bijzonder verhaal, verteld door twee mensen van wie de levenslust aanstekelijk werkt.

Ze zijn nu 59 jaar getrouwd, Myrna en Mattie Tugendhaft, beiden 83. Allebei getekend door oorlogservaringen, hebben ze zich er niet onder laten krijgen. Het echtpaar staat nog altijd midden in het leven en geniet daar met volle teugen van. “We zijn op heel verschillende manieren teruggekomen,” vertelt Mattie. Mattie zat in allerlei onderduikgezinnen, Myrna was afgevoerd naar Bergen-Belsen. Myrna: “Ons gezin werd in maart 1943 weggehaald uit ons huis in Rotterdam. We zaten daarna een jaar in Westerbork en zijn toen gedeporteerd naar Bergen-Belsen. Omdat mijn moeder Engelse was, kwamen mijn moeder en ik in dat deel van het kamp terecht, zodat we eventueel konden worden geruild met Duitse krijgsgevangenen. Mijn vader was een echte Amsterdammer. Sommige nationaliteiten in het kamp kregen weleens iets van hun nationale Rode Kruis. Wij niet. We hebben ze daar nooit gezien. Je begrijpt dat de organisatie daarna niet populair bij ons was.”

Myrna’s moeder overleed in maart 1945, vlak voordat het kamp in april werd bevrijd. Maar die bevrijding maakte Myrna daar niet mee. Ze werd met zo’n 2500 medegevangenen, onder wie ook haar vader, tijdens de laatste chaotische dagen van de oorlog in een van de beruchte dodentreinen gezet.

Onderduik
Mattie: “Myrna werd weggehaald uit Rotterdam en ik ging rond die tijd de onderduik in. Wij woonden in Maastricht en hadden thuis een orthodox gezin. Mijn vader was al in 1933 uit Düsseldorf naar Nederland gevlucht. In Maastricht leerde hij mijn moeder kennen, een De Liver, haar vader was rabbijn in Maastricht. Het was een voorname familie en je moet weten dat Duitse Joden in die tijd behoorlijk door de Nederlandse werden gediscrimineerd. Toen mijn moeder aankwam met een Duitser, brak thuis, om het op z’n Amsterdams te zeggen, de pleuris uit.” Toch trouwden ze. In 1937 werd Mattie geboren en twee jaar later zijn zusje Trinette. Verzetsstrijders, onder wie Nelly Eymael, stonden erop dat het gezin zou onderduiken. “We liepen ernstig gevaar. Mijn vader is zelfs, toen hij een keer in de rij stond bij het postkantoor, op de schouders getikt. De man achter hem zei: ‘Man, moet jij niet onderduiken?’” Zo werd Mattie in 1943 gescheiden van zijn ouders en zusje, een onderduikgezin met twee kinderen was te gevaarlijk. Die scheiding zou twee jaar duren. In de onderduik kregen zijn ouders nog een derde kindje, Benny. Die zou pas na de oorlog besneden worden en worden aangegeven bij de burgerlijke stand. Mattie ging van het ene onderduikadres naar het andere, allemaal geregeld door verzetsvrouw Nelly Eymael.

Matties ouders, Isaac en Frida Tugendhaftde Liver, met Mattie op de arm in 1938

Een van die adressen was in De Weert, vlak bij Roermond. “Daar heb ik het heel slecht gehad. Ik ben er enorm mishandeld, dat is traumatisch geweest. Kijk, zie je dit gekke oor?” Mattie wijst naar zijn linkeroor dat inderdaad afwijkt van het rechter: “Dat heb ik aan dat adres overgehouden. Het is met een mes bewerkt.” Nelly had door dat het niet goed ging met Mattie en nam het jongetje korte tijd zelf in huis: “Mijn ouders bleken een straat verder ondergedoken te zitten.” Mattie heeft zijn ouders bij Nelly ook echt even gezien. Een gevaarlijke onderneming, en ze moesten Mattie daarna weer alleen laten terwijl hij natuurlijk met hen mee wilde.

Chocolade
Ook bij Nelly was het niet veilig. Mattie kwam in Klimmen terecht, bij tante Mien en oom Albert: “Dat was een echtpaar zonder kinderen. Daar heb ik het ontzettend goed gehad. Na de oorlog wilden ze ook niets: geen geld, geen Yad Vashem-onderscheiding. Ze hebben me puur uit menslievendheid opgenomen. Ze hadden een eigen moestuin, er was voldoende te eten. Oom Albert, zoals ik hem noemde, werkte in de kolenmijnen in Heerlen. En de Duitsers hadden kolen nodig, dus hij had het relatief goed. Vrijdags mocht hij kiezen tussen een fles jenever of chocola. Dan koos hij voor chocola en kreeg ik dat.”

Frank Towers, een Amerikaanse officier, was een van de militairen die Zuid-Limburg in september 1944 bevrijdde. “Ineens stonden mijn ouders in de tuin van tante Mien en oom Albert. Die vonden het verschrikkelijk om me mee te geven, want er was een hechte band tussen ons ontstaan. Mijn ouders hebben dat goed aangepakt. Ze hebben een soort overbruggingsperiode ingesteld.” Het gezin, nu weer compleet met vader, moeder en drie kinderen, keert terug naar het huis in Maastricht waar het voor de onderduik woonde, in de Joseph Hollmanstraat: “Er hadden NSB’ers in gezeten, die zijn er na de bevrijding door de buren uit gegooid.

Veel van onze meubels stonden er nog in, en ook een Friese staartklok die van die NSB’ers was geweest. Die zijn later nog aan de deur geweest, wilden die staartklok terug. Maar mijn moeder had hem al bij het grofvuil gezet. Ik denk niet dat ze heeft geweten dat dat ding een hoge waarde had,” grinnikt Mattie.

Bij de vijand in huis
Voor Myrna Reens was de oorlog op dat moment nog lang niet voorbij. De trein waarin zij in april ’45 terechtkwam, met 2500 Joden aan boord, denderde een week lang door Duitsland. Geen eten, vrijwel geen water. Opeengepakt. Er zouden nog zo’n honderd inzittenden overlijden, totdat de trein ergens in Duitsland tot stilstand kwam. Soldaten van het Amerikaanse leger openden de deuren, onder hen Frank Towers. Die verwachtten er vee in aan te treffen, in werkelijkheid zagen zij overlevenden van Bergen-Belsen. “Jaren later heeft Frank nog bij ons gelogeerd. Hij vertelde toen wat voor een vreselijke stank er uit die wagons kwam. Die kon hij zich nog heel goed herinneren,” vertelt Myrna. “De Amerikanen zijn naar de burgemeester gestapt van het dorpje waarin de trein tot stilstand was gekomen, hebben een pistool op zijn hoofd gezet en geëist dat de bewoners ons opvingen en dat ze in hun huizen ruimte voor ons maakten. Zo kwamen mijn vader en ik bij mensen terecht die onze vijanden waren. Ik weet nog dat ik mijn eerste ei te eten kreeg. Het enige wat ik in Bergen-Belsen had gekend, waren koolraapjes. Die heb ik nooit meer gegeten. Alleen het idee al.”

In het Duitse huis waarin Myrna terechtkwam, lagen poppen: “Prachtig vond ik ze. Ik heb er tijden mee gespeeld, popjes wiegen in een poppenwagentje.” Myrna belandde zelfs nog een week in het ziekenhuis, omdat haar lichaam al het eten dat ineens beschikbaar was, niet kon verteren. Hoewel ze op 13 april waren bevrijd, duurde het tot juni voordat ze terug konden naar Nederland.

Ze zat dus een aantal maanden in dat Duitse dorp: “Er was simpelweg geen vervoer om ons terug te brengen.” Maar in juni kwam ze dan eindelijk in Valkenburg aan. “Dat kan ik me nog herinneren.”

Het huis bezet
Intussen hadden de ouders van Mattie de draad in Maastricht weer opgepakt. Zijn vader werd actief in de gemeenschap, richtte samen met Emile Wesly, de vader van de huidige voorzitter van de Limburgse Joodse Gemeente Benoit Wesly, weer een kehila op. “Mijn vader stond voor iedereen klaar, ook voor hen die uit de kampen terugkwamen. En mijn grootouders woonden naast de sjoel in Maastricht, mijn grootmoeder was er mikwevrouw. Daar stonden ook gestolen meubels van de Maastrichtse Joden in opgeslagen, zo hoog dat het tot het vrouwengedeelte reikte. Voor ons was het een speelplaats. We konden over die meubels springen tot aan de aron hakodesj. Die meubels zijn nog door de Amerikanen weggehaald, zodat we in september 1944 voor het eerst weer Rosj Hasjana konden vieren.”

Myrna en haar vader trokken in 1945 vanuit Valkenburg door naar Rotterdam, de stad waar ze vandaan komen. “Het is raar, van de oorlog weet ik nog veel, maar die terugkomst in Rotterdam kan ik me niet meer herinneren,” zegt Myrna. “We zijn in Rotterdam opgevangen in het oude Joodse ziekenhuis en mijn vader en ik zijn toen gaan kijken wat er van ons huis was geworden: Savornin Lohmanlaan 98. Er werd niet opengedaan. Er zaten vreemde mensen in en die waren natuurlijk niet van plan te verkassen. We hebben dat huis nooit teruggekregen, ook de inboedel niet. Ik ben er nooit meer binnen geweest. We hebben toen bij de buren aangebeld, de familie Blokzijl. Die wisten dat ons huis bezet was en zeiden: ‘Onze zolder staat leeg en er staat een groot bed.’ Daar zijn we toen ingetrokken. De benedenburen kregen een baby met wie ik uren heb gespeeld. Prachtig vond ik dat.”

Myrna en haar vader woonden bij de familie Blokzijl in totdat haar vader een vrouw ontmoette. Op een avond van de padvinderij kwam hij een weduwe tegen die een zoon had. Haar man had voor de oorlog een groothandel in vlees, maar overleefde de oorlog niet. Ze trouwden in 1946: “De vader van rabbijn Ies Vorst, Lou, leidde de choepa.”

Pas na de bevrijding kon het echtpaar Tugendhaft zoon Benny aangeven bij de burgerlijke stand

In het ziekenhuis
Eind 1947 trok ook het gezin Tugendhaft naar Rotterdam. “De hele familie van mijn moeder, De Liver, was vergast, op één neefe van me na, Chaim. De familie De Liver had een stoffenzaak in Rotterdam. Wij kregen een vergunning om die zaken te heropenen: twee winkels. Een in de Hoogstraat en een aan de Nieuwe Binnenweg. ‘Koop liever bij De Liver’ was een gekende kreet in Rotterdam.” Ook hier zette Matties vader zich in voor de heroprichting van Joods leven. Hij zat in de zionistenbond, in de vereniging Joods gemeenschapsbelang, er werden grote sjiddechfeesten georganiseerd en hij was een van de oprichters van sportvereniging Maccabi.

Zo kwamen Myrna en Mattie – ze tennisten allebei – elkaar tegen, maar het was geen liefde op het eerste gezicht. Mattie: “En ik moest het leger in, was een van de allereerste Joodse soldaten na de oorlog en heb er een prachtige tijd gehad.” Dat er Joods getrouwd moest worden, was voor de vader van Mattie een vaststaand feit. Mattie: “Ik weet nog dat hij me een keer een dancing in Scheveningen uit heeft geslagen, omdat ik met een niet-Joods meisje stond te dansen.”

Pas een paar jaar later, toen Myrna in het ziekenhuis lag, zocht hij Myrna weer op. Myrna: “Ik heb aan mijn tijd in Bergen-Belsen heel slechte voeten overgehouden en ik moest grote operaties ondergaan.” Pas toen bloeide de liefde op. Ze trouwden in 1961, allebei 23. Opnieuw was het Lou Vorst die de choepa leidde.

Vroeg op
Het leven kreeg z’n beloop. Myrna en Mattie verhuisden naar Amstelveen, waar Mattie gaat werken op Schiphol. Toen de eigenaar van de taxfreeshops daar wegviel, vroeg de leiding of Mattie die zou kunnen overnemen. Mattie, die al vanaf zijn zestiende werkte – “studeren had er niet in gezeten, dat was voor ons niet te betalen” – greep zijn kans. Myrna, die in een laboratorium werkte, waar ze analisten leerde hoe preparaten te maken, hielp mee aan de opbouw van het bedrijf. “Zo waren we er vaak al midden in de nacht. De El Alvluchten waren altijd heel vroeg, en dan moesten wij een uur voor de vlucht open.”

Over de oorlog werd niet veel meer gesproken. Myrna: “Mijn vader heeft niets verteld. Ik durfde mijn vader ook niets te vragen. Als ik dat wel wilde, antwoordde mijn stiefmoeder: ‘Hij heeft nachtmerries, vraag hem nu maar niets.’” Mattie heeft altijd contact gehouden met zijn onderduikouders tante Mien en oom Albert. En met Nelly Eymael, die na de oorlog trouwde met een Joodse man en daarna als Nelly Kochman door het leven ging. Zij is de schoonmoeder van André Rieu, met wie de Tugendhafts een vriendschappelijke band hebben. Mattie: “Mijn moeder heeft nooit willen horen hoe slecht ik het in De Weert heb gehad, ze kon dat gewoon niet aan, tot aan haar dood niet.”

Mattie en Myrna Tugendhaft kregen twee zoons, van wie er een in Amerika woont. Ze hebben inmiddels zeven kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. Een paar dagen na ons gesprek stuurt Mattie een foto van een dolgelukkige bruid en bruidegom, met een aantal kindjes eromheen: hun vier achterkleinkinderen. Je voelt hoe trots deze grootouders zijn, het geluk straalt van ze af

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *