Dossiers

Verslag uit het buitenland: ‘Wij zijn alles wat rechts haat’ (Boedapest)

Nu de rechtse Hongaarse regering een haatcampagne voert tegen miljardair en filantroop George Soros, wordt de Joodse gemeenschap in Boedapest verdeeld door de vraag: is het antisemitisch bedoeld of niet? “Er is een vijand gecreëerd.”

Bart Schut 27 december 2020, 10:00
Verslag uit het buitenland: ‘Wij zijn alles wat rechts  haat’ (Boedapest)

Het is druk in Dob utca op zaterdagavond. De bars puilen uit met jonge Hongaren en toeristen. Het is moeilijk voor te stellen dat Dobstraat ooit dwars door het Joodse getto van Boedapest liep. Weinig herinnert aan het lijden van de 200.000 Joden die hier van november 1944 tot januari 1945 opeengepakt zaten. Toch heeft de wijk iets van zijn ooit zo Joodse karakter behouden. In het gebied tussen de imposante Dohány-synagoge in het westen, de grootste in Europa, en de orthodoxe synagoge aan de Kacinzystraat in het oosten, vind je trendy restaurants als Spinoza, Mazel Tov en zelfs een pizzeria genaamd Yiddishe Mama Mia. Menu’s in het Hebreeuws op de ramen, kosjere gerechten op de kaart – de Joden zijn terug van nooit weggeweest in het centrum van Boedapest.

Wie goed zoekt vindt nog een stukje gettomuur, in de binnenplaats van Királystraat 15. Hoewel, de muur is niet echt. Nadat hier in 2006 het laatste stuk van de oude gettomuur was afgebroken, werd deze een paar jaar later als monument herbouwd. Naar verluidt met stenen van de oude, maar wie zal het zeggen. Zoals later zal blijken staat de muur symbool voor de haatliefdeverhouding van de Hongaren met ‘hun’ Joden, voor de moeizame manier waarop in het land wordt omgegaan met het niet bepaald schone verleden, en misschien zelfs voor de verdeeldheid binnen de Joodse gemeenschap zelf, als het gaat om hoe er met antisemitisme in verleden en – vooral – heden wordt omgegaan.

Detail van het Monument voor de Hongaars-Joodse martelaren

Net ten westen van waar het getto ooit stond, vind je nu het gebouw van Chabad Lubavitch aan de Károly körút, de boulevard die door het hart van Pest, het deel van de Hongaarse hoofdstad ten oosten van de Donau, loopt. Chabad verstopt zich niet, de blauwe letters vertellen de bezoeker in Hongaars en Hebreeuws wie achter de gevel huist, maar binnen word ik wel voorgegaan door een veiligheidsbeambte met een pistool op de heup. Boven bij de receptie staat een grote groep jonge Israëlische en Amerikaanse toeristen. “Die komen zich aanmelden voor ons sjabbesdiner van morgen,” vertelt de secretaresse van Slomó Köves, de rabbijn die bij Chabad de scepter zwaait.

Iedereen een Joodse voorvader
In zijn kantoor vertelt Köves, onderuitgezakt in een comfortabele stoel, over de tweede passie naast zijn geloof: geschiedenis, waarin hij zijn doctorstitel behaalde. De rabbijn begint de historie van de Joden in zijn land met het heden. Niemand weet precies hoe groot de Joodse gemeenschap in Hongarije is, de schattingen liggen rond de honderdduizend, maar Köves schat dat het aantal weleens drie, vier keer zo hoog zou kunnen liggen. “Voor de oorlog was een kwart van de bevolking in Boedapest Joods, dus iedereen hier heeft wel een Joodse voorvader.” Zoals de extreemrechtse politicus Csanád Szegedi, die er tot zijn verbijstering achter kwam Joodse wortels te hebben – sindsdien heeft hij de politiek verlaten, gioer gedaan en overweegt hij alia te maken. 

De geschiedenis van het Hongaarse antisemitisme in de twintigste eeuw is een andere. In 1920, toen nog nooit iemand van Adolf Hitler had gehoord, introduceerde de Hongaarse regering van admiraal Miklós Horthy al anti-Joodse maatregelen als een numerus clausus aan de universiteiten: slechts vijf procent van de nieuwe studenten mocht van Joodse afkomst zijn, ongeveer het aandeel in de Hongaarse bevolking. Het raakte de gemeenschap zwaar, omdat zij zeker in Boedapest veel hoger dan gemiddeld was opgeleid. Het banken- en beurswezen, de advocatuur en de (medische) wetenschap werden gedomineerd door Joden (van wie veel welvarende families in de adelstand waren verheven), die nu de doorstroming van hun jonge generaties geblokkeerd zagen.

Vanaf 1938 kopieerde de Hongaarse regering de Neurenberger rassenwetten. De situatie werd steeds ondraaglijker, en toch waren de Joden in Hongarije tijdens de eerste vier jaren van de oorlog beter af dan hun geloofsgenoten in veel andere Europa landen. De reden: Hongarije was bondgenoot van de nazi’s en werd dus niet bezet door Duitse troepen. Joodse vluchtelingen werden gedeporteerd naar bijvoorbeeld Polen en daar vermoord, maar Horthy weigerde de Hongaarse Joden uit te leveren. Deze situatie duurde tot maart 1944 toen de Duitse tanks Boedapest binnenrolden. Het hek was van de dam: er werd een marionettenregime geïnstalleerd en Hongaarse nazi’s van de beruchte Nyilas of Pijlenkruis-beweging wonnen snel aan invloed.

Bronzen schoenen op de kade
Adolf Eichmann reisde naar Boedapest om de deportatie van de Hongaarse Joden naar met name Auschwitz te organiseren, waarbij hij zich verbaasde over het enthousiasme waarmee de Hongaarse gendarmes meewerkten. Maar het werd nog erger. In oktober 1944 trokken de Pijlkruisers alle macht naar zich toe. Hun schrikbewind tart elke beschrijving. Zoals regisseur Costa-Gavras in de film Music Box (1989) verhaalt, schoten de Hongaarse nazi’s tienduizend Joden dood aan de oever van de Donau en wierpen hun lichamen in de rivier. Of zij bonden hen met touwen in groepen bijeen en schoten slechts een paar personen dood om kogels te sparen. De rest verdronk in het ijskoude water van de rivier. Een van de meest indruk wekkende Holocaustmonumenten van Europa is te vinden aan die oever, net voor het Hongaarse parlement: tientallen bronzen schoenen op de kade. Toen ik het bezocht, had iemand er met witte verf een Davidsster bij geverfd. Zelfs toen het op de oostelijke oever gelegen Pest in januari 1945 werd bevrijd door het Rode Leger, zetten de Pijlkruisers op de westelijke, in Boeda, hun moordpartijen voort. 

Adolf Eichmann verbaasde zich over het enthousiasme waarmee de Hongaarse gendarmes meewerkten aan de deportaties

Het getto in Boedapest bestond van november 1944 tot januari 1945, nog geen twee maanden. Opvallend is dat de overlevingskansen er aanzienlijk hoger waren dan op het platteland. Tienduizenden werden gered door buitenlandse diplomaten: de Zweed Raoul Wallenberg, de Zwitser Carl Lutz, de Spanjaard Ángel Sanz-Briz en de Italiaanse zakenman Giorgio Perlasca die zich voordeed als de Spaanse consul-generaal nadat Sanz-Briz vertrok. Duizenden anderen werden over de grens naar Roemenië gesmokkeld. Natuurlijk werkten talloze Hongaren de nazi’s tegen, maar de indruk bestaat toch sterk dat de Joden op zichzelf aangewezen waren of geholpen werden door buitenlanders, terwijl Hongaarse gendarmes en Pijlkruisers willige helpers waren in het Duitse streven hun land Judenrein te maken. 

Hongaarser dan de Hongaren
Waar kwam die explosie van blijkbaar zo diepgewortelde haat vandaan? Slomó Köves vertelt: “De emancipatie van de Joden in de negentiende eeuw gebeurde razendsnel, te snel. De reden hiervoor was politiek-pragmatisch. De Hongaarse politici maakten een eenvoudige calculatie: Groot-Hongarije [binnen het Habsburgse Rijk] telde in 1844 slechts vijftig procent Hongaren. De andere helft waren Slowaken, Kroaten, Tsjechen en talloze andere nationaliteiten. De gedachte was: als we van de 800.000 Joden Hongaren maken slaat de weegschaal door naar onze zijde. De Hongaarse Joden sprongen op die trein en werden Hongaarser dan de Hongaren.” 

De voorgevel van de Grote Synagoge in de Dohánystraat

“Je kon zien dat er onder de oppervlakte iets misging. Minder dan twintig jaar na de emancipatie [van 1867] stak de eerste antisemitische partij de kop op,” vertelt Köves, “zo heette deze ook gewoon: de Antisemitische Partij.” Nog in 1882 stak het Bloedsprookje in Hongarije de kop op, toen in het dorpje Tiszaeszlár de Joodse gemeenschap werd beschuldigd van de rituele moord op een veertienjarig christelijk meisje. “Na de Eerste Wereldoorlog,” gaat Köves verder, “verloor Hongarije tweederde van zijn grondgebied en alle niet-Hongaarse bevolking. De Joden waren opeens niet meer nodig om de etnische balans in evenwicht te houden.” Bovendien raakte de staat zijn grondstoffen uit de randgebieden kwijt, en daarmee enorme inkomsten. De aristocratie weigerde haar welvaart te (ver) delen, dus lag de oplossing voor de hand: haal het geld weg bij de Joden. Dit laatste maakte antisemitisme in Köves’ woorden een ‘essentieel deel van de politiek’ in Hongarije. Met alle verschrikkelijke gevolgen van dien tijdens de laatste oorlogsjaren.

De haatcampagne tegen George Soros
De vraag is of de huidige rechtse regering van premier Viktor Orbán weer appelleert aan die diepgewortelde antisemitische gevoelens nu zij een campagne is begonnen tegen de Amerikaans-Hongaars-Joodse miljardair en filantroop George Soros. Al tijdens de rit van de luchthaven naar het centrum van Boedapest vielen de borden met zijn gelaat en de tekst ‘Ne hagyuk szó nélkül’ (vrij vertaald: Laat hem niet stilzwijgend zijn zin krijgen) op, net als de kleine sloppenwijken van de Roma’s in bosschages tussen de grauwe, nog door de communisten gebouwde huizenblokken in de buitenwijken. Al maanden voert Orbáns Fidesz-partij campagne tegen Soros, maar wat wil zij hiermee nu precies bereiken?

Interieur van de Grote of Dohánystraat-synagoge

In het hippe café Kino, niet ver van de Donau aan de Szent István-boulevard, stel ik deze vraag aan Adam Schönberger, CEO van de Joods-culturele ngo Marom. “Soros steunt het maatschappelijk middenveld. Dat is het echte doelwit van deze haatcampagne,” vermoedt Schönberger. George Soros is als geldschieter van ‘linkse’ ngo’s de personificatie van dat middenveld en daarmee een gemakkelijk doelwit. Marom beheert een gemeenschapscentrum, Aurora, dat tevens dienstdoet als ngo-hub, een plek waar allerlei organisaties hun hoofdkwartier hebben. Er wordt hulp geboden aan vluchtelingen, de LHBT-gemeenschap, Roma’s en daklozen. “Wij zijn alles wat rechts haat,” lacht Schönberger. 

Adam Schönberger in Café Kino 

Eerder dit jaar verging hem het lachen toen extreemrechtse jongeren de gevel van Aurora vol hingen met posters en stickers met anti-Soros-teksten. Ook werd een briefje achtergelaten dat de neonazi’s ooit terug zullen komen – een verhuld dreigement. In plaats van bescherming te bieden begon de politie Aurora kort daarna lastig te vallen. Er werd een inval gedaan, zogenaamd op jacht naar drugs, en de gemeente trok de vergunning in voor de verkoop van voedsel en drank – Aurora’s voornaamste inkomstenbron. Ironisch genoeg ontving het gemeenschapscentrum vóór deze incidenten geen geld van Soros’ organisaties, maar erna wel. “Er is een vijand gecreëerd,” meent Schönberger, “In de persoon van George Soros, maar de eigenlijke vijand zijn wij.”

Allemaal goed en wel, maar is de campagne antisemitisch? Het gezicht van de miljardair op de billboards doet denken aan Emmanuel Goldstein, niet toevallig een Joodse naam, de omnipresente vijand van het communistische regime van Oceanië in Orwells 1984. Schönberger heeft een interessante theorie als antwoord op de kwestie: “De campagne tegen Soros is antisemitisch omdat dit zo door de overgrote meerderheid van de Hongaarse Joden wordt ervaren. Misschien was de campagne oorspronkelijk niet eens zo bedoeld, maar nu het zo wordt gevoeld is deze het wel geworden.” Zeker is dat de campagne heeft geleid tot een aantal uitingen van Jodenhaat, al snel werden de borden beklad met Davidsterren en pareltjes als ‘stinkjood’.

Veiliger dan West-Europa
Schönbergers opvatting over het antisemitische gehalte van de anti-Soros-campagne vraagt om een weerwoord van Slomó Köves, een medestander van – of toch in ieder geval iemand die bereid is samen te werken met – de regering Orbán. Appelleert de campagne aan het door hem beschreven diepgewortelde antisemitisme van zijn landgenoten? Köves moet lachen om de suggestie: “De meeste Hongaren weten helemaal niet dat Soros Joods is. En is alle kritiek op een Jood antisemitisch? Vooral bij iemand als Soros die altijd afstand genomen heeft van het Jood-zijn. Hij is nota bene anti-Israël.” Maar wordt in de campagne niet op een haast onderbewust niveau geappelleerd aan antisemitische stereotypen? De rijke Jood die achter de schermen werkt aan de ondergang van de Hongaarse identiteit door – vooral islamitische – migratie naar het land te willen stimuleren?

Billboard van de anti-Soros-campagne

“Elke complottheorie is in zekere zin antisemitisch,” reageert de rabbijn, “want antisemitisme is de eerste en ultieme complottheorie.” Toch steunt Köves Orbáns anti-immigratiebeleid volmondig, wat hem in de linkse pers al op de kwalificatie ‘de racistische rabbijn’ is komen te staan. Maar ook nu neemt hij geen blad voor de mond: “Wij zijn er dankbaar voor dat er in Hongarije geen islamitisch antisemitisme bestaat. De veiligheidssituatie van de Joden hier is niet te vergelijken met die in welk West-Europees land dan ook.” Als ik hem wijs op de bewapende veiligheidsman bij de ingang van zijn eigen gebouw, zegt Köves: “We nemen geen risico’s, maar – baroech Hasjeem – wij hebben geen enkele terreuraanslag in Hongarije gehad. Niet tegen de Joden, tegen niemand. Er waren hier vorig jaar iets van veertig antisemitische incidenten, maar zij waren allemaal gesproken of geschreven. Er was niet één geweldsincident. Tussen 2006 en 2009 was er een sterke opkomst van extreemrechts hier in Hongarije. Ik ben toen weleens uitgescholden en bespuugd, maar nu krijg ik op straat, als zichtbare Jood, meer positieve reacties dan negatieve,” vertelt de rabbijn. “Vergelijk dat eens met bijvoorbeeld Frankrijk.

Daar heb je tegenwoordig als orthodoxe Jood in het openbaar een overlevingsstrategie nodig. Ik ben er door de trein gejaagd door een groep die mij in elkaar wilde slaan.”

Alles in het belang van onze gemeenschap
“Op dit moment hebben wij in Hongarije geen gewelddadig antisemitisme omdat wij geen moslimgemeenschap hebben en dat willen wij graag zo houden. Ik wil niet dat mijn land in dezelfde situatie als België, als Zweden of als Frankrijk belandt. Het spijt mij dit te zeggen, maar waar een grote moslimgemeenschap ontstaat, vind je een enorme hoeveelheid fundamentalisten en wordt het land en vooral de Joodse gemeenschap onveiliger,” vindt Köves. Om er een cruciale overweging aan toe te voegen: “Bij alles wat ik doe heb ik één overweging waaraan al het andere honderd procent ondergeschikt is: wat is het belang voor de Joodse gemeenschap? Ik ben bereid met iedereen samen te werken die dit belang onderkent en bereid is te bevorderen. Dat is de Joodse weg. En is het ook niet gezond verstand?” 

Café-restaurant Spinoza in Dob utca

Het verschil in opvatting tussen Slomó Köves en Adam Schönberger is niet alleen politiek, het lijkt een filosofisch schisma tussen twee opvattingen over wat het betekent Jood te zijn anno 2017. Waar Köves zich bij zijn positionering strikt laat leiden door de belangen, nee, zelfs het overleven van de Joodse gemeenschap, ziet Schönberger het als plicht de Hongaarse samenleving te laten leren van de Joodse geschiedenis. Ik leg dit vraagstuk voor aan János Gadó, hoofdredacteur van Szombat (‘Zaterdag’ of ‘sjabbat’ in het Hongaars), het maandelijkse (online) magazine van de Joodse gemeenschap. Gadó ziet de voordelen van zowel Köves’ ‘geef aan de keizer wat des keizers is’-opstelling als die van Schönbergers tikkoen olam, het Joodse ‘repareren van de wereld’.

Mazsihisz (de federatie van Joodse gemeenschappen in Hongarije) is voor tachtig procent afhankelijk van financiering door de overheid. Men is daar niet blij met de huidige politieke situatie, maar beseft dat er samengewerkt moet worden met de regering. Iedereen weet dat Orbáns Fidesz volgend jaar weer de verkiezingen wint, de tegenstanders zijn gedemoraliseerd,” zegt Gadó. Toch neigen de meeste Joden haast instinctief naar Schönbergers opstelling: “Zij identificeren zich met de onderdrukten. Maar de gedachte dat de Joden tot deze familie behoren en dat deze ook voor hen zal opkomen, is tegenwoordig een illusie.” Om te besluiten: “Mijn ideaal is beide zienswijzen te combineren, maar daarvoor lijkt in de hedendaagse Hongaarse politiek geen ruimte. Vandaar dat ik geen politicus ben.”

Rabbijn Slomó Köves met Benjamin Netanyahu

Het verleden is witgewassen
Aan de rand van het centrum ligt Terror Háza, het Huis van Terreur, een museum gevestigd in het voormalige hoofdkwartier van de Pijlkruisers en na de oorlog de communistische geheime dienst, de AVD. Het met internationale prijzen overladen museum is indrukwekkend, maar laat na een bezoek toch een wat nare smaak in de mond achter. Het lijkt alsof de regering Orbán, onder wie het museum is geopend, een poging heeft gedaan een politieke afrekening met het verleden en tegelijkertijd het witwassen van dat verleden te bewerkstelligen. Bijna alle aandacht gaat naar de slachtoffers van het communisme, met een belangrijke bijrol voor de Pijlenkruis-nazi’s. Maar geen kwaad woord over de autoritaire regeringen van Miklós Horthy, onder wie met name de Joodse gemeenschap in de jaren twintig, dertig en vroege jaren veertig al zo leed. Het is net alsof de geschiedenis van Hongaarse dictatuur en onderdrukking pas in 1944 begon.

Adam Schönberger waarschuwde er al voor: Orbáns Fidesz probeert de Hongaarse geschiedenis van terreur en antisemitisme volledig af te wentelen op nazi’s en hun ‘on-Hongaarse’ meelopers. In het verleden op de Pijlkruisers en vandaag de dag op Jobbik, de extreemrechtse – volgens velen neonazistische – partij die bij de laatste verkiezingen in 2014 liefst twintig procent van de stemmen binnenhaalde. Volgens Schönberger is juist Fidesz de aanjager van extreemrechts in Hongarije en vestigen zich er steeds meer individuen en organisaties uit dat wereldje. 

János Gadó

Een eenzame Stolperstein
Is Boedapest het nieuwe Mekka van extreemrechts in Europa? János Gadó: “De regering weet dat de Joodse kwestie van vitaal belang is voor haar imago in het buitenland. In het hedendaagse Europa kunnen openlijk antisemitische politici niet overleven. Dus gebruikt de regering Jobbiks Jodenhaat om de aandacht van zichzelf af te leiden. Dit terwijl Fidesz met zijn autoritarisme en xenofobie tot op zekere hoogte de weg voor Jobbik heeft bereid.”

Als ik terugloop naar het vroegere getto struikel ik letterlijk bijna over een eenzame Stolperstein in het trottoir. Deze herinnert eraan hoe omvangrijk de kehilla van Boedapest ooit was, want ik loop buiten het hart van de Joodse wijk. Hoe kan het ook anders, in een stad waar een kwart van de bevolking Joods was. Het leverde Boedapest de bijnaam ‘Judapest op’. Op hun eigen, verschillende manier werken Slomó Köves, Adam Schönberger en János Gadó eraan die bijnaam in ere te houden. Ik moet aan de woorden van Gadó denken waarmee hij afscheid van mij nam: “Hongarije is veilig voor de Joden, maar niet erg prettig. De meerderheid [van hen] zal blijven vechten voor een open samenleving. Zij zijn hieraan gewend, ze doen het al sinds de negentiende eeuw. De Joden zijn diep verknocht met liberale waarden, met een beter leven in een betere samenleving. En met de Hongaarse cultuur. De nationalisten verwijten ons hen te willen vertellen wat hun cultuur is. Maar hoe kunnen wij anders? Dit is ons thuis.

Mazel Tov, een ruïnebar in de oude Joodse wijk van Boedapest

Beroemde Hongaarse Joden

Max Nordau (1849-1923), geboren in Pest als Simcha Südfeld werkte Nordau als arts en journalist in Boedapest, Berlijn en Parijs. Na de Dreyfus-affaire werd hij zionist en was samen met Theodor Herzl de drijvende kracht achter het eerste Zionistische Wereldcongres. Nordau was de bedenker van het ‘Muskeljudentum’: Joden moesten op hun eigen (spier)kracht kunnen rekenen. 

Béla Kun (1886-1938), geboren als Béla Kohn werd Kun (zoon van een Joodse notaris in Transsylvanië) de leider van de Hongaarse communisten en – na de revolutie van 1919 – de Hongaarse Sovjetrepubliek. Toen deze na 133 dagen ten val werd gebracht, vluchtte Kun naar de Sovjet-Unie, waar hij in 1938 tijdens Stalinistische zuiveringen werd geëxecuteerd.

László Biró (1899-1985), uitvinder van de ballpoint. De als László József Schweiger geboren Biró presenteerde zijn uitvinding voor het eerst in 1931 in Boedapest. In 1945 verkocht hij het patent aan het bedrijf Bic dat sindsdien naar schatting 100 miljard pennen heeft verkocht. In 1943 vluchtte Biró naar Argentinië, waar de ballpoint nog steeds ‘birome’ wordt genoemd.

Judit Polgár (1976), de beste vrouwelijke schaker aller tijden werd in Boedapest geboren als dochter van een Joodse schaakleraar en psycholoog. Polgár werd op haar vijftiende al grootmeester (waarmee zij het record van legende Bobby Fischer verbrak). Zij versloeg onder anderen Kasparov, Karpov en Anand.

Mátyás Rákosi (1892-1971), geboren als Mátyás Rosenfeld in Ada (tegenwoordig in Servië). Hij was secretaris-generaal van de Hongaarse Communistische Partij en daarmee van 1949 tot 1956 leider van Hongarije. Als hondstrouwe en keiharde Stalinist werd Rákosi na de dood van de Sovjetdictator in 1956 gedwongen af te treden en stierf in ballingschap in Gorky.

Beroemde Joden van Hongaarse komaf
Hongaars-Joodse immigranten hebben door de eeuwen heen een enorme invloed gehad op politiek, economie en cultuur van de Verenigde Staten.

Joseph Pulitzer (1847-1911), na het bankroet van zijn familie in Hongarije emigreerde Joseph in 1864 naar de VS waar hij snel carrière maakte als journalist en politicus. Aan het einde van zijn leven was hij eigenaar van een krantenimperium, stichtte hij de journalistenopleiding aan Columbia University in New York. Deze vernoemde vanaf 1917 haar beroemde prijzen naar ‘Joey the Jew’. 

Harry Houdini (1874-1926), in Boedapest geboren als Erik Weisz emigreerde de latere boeienkoning al op jonge leeftijd naar Wisconsin, waar zijn vader rabbijn werd. Onder zijn professionele naam Harry Houdini revolutioneerde hij het goochelen en werd vooral beroemd om zijn ontsnappingstrucs, maar ook voor het ontmaskeren van mediums en andere paranormale sjacheraars.

Milton Friedman (1912-2006), Friedmans ouders waren beiden afkomstig uit Beregszász in het Koninkrijk Hongarije, maar hun zoon werd geboren in Brooklyn, New York. Friedman was leidend binnen de rechts-kapitalistische ‘Chicago school of economics’-theorie en adviseerde president Ronald Reagan en premier Margaret Thatcher. In 1976 ontving hij de Nobelprijs voor Economie.

Paul Newman (1925-2008), Newmans beide ouders, Theresa Fetzko en Arthur Sigmund Newman, waren Hongaars, al was alleen zijn vader Joods. De acteur beschouwde zich dat ook, omdat ‘het een grotere uitdaging is’. Sekssymbool én karakteracteur, werd Newman tien maal in vijf decennia voor een Oscar genomineerd. Hij won het beeldje in 1986 voor The Color of Money.

Mark Spitz (1950), de grootste Joodse atleet ooit en de beste zwemmer uit de geschiedenis vóór het tijdperk Michael Phelps haalde zijn eerste internationale successen op de Maccabiade van 1965 in Tel Aviv. Het was het begin van een carrière die hem vier medailles bracht bij de Olympische Spelen van 1968 in Mexico, en liefst zevenmaal goud (in zeven wereldrecords!) in München, 1972.

Dit artikel verscheen eerder in NIW 10, 5778. Foto’s: Bart Schut.

Opmerkingen (1)
tiki 02 januari 2021, 11:51
Vraag een gemiddelde Israeli naar Soros en je krijgt hetzelfde antwoord als in Hongarije. Victor Orban & Bibi Netanyahu hebben een prima (persoonlijke) band. Ik heb nergens in Europa zoveel openlijke Joodse/Israelische activiteiten gezien als in Budapest. Arrogante Europeese leiders zouden beter een voorbeeld nemen aan Victor Orban........op ieder gebied!
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *