Het verhaal van Joods Toledo

De koningsstad Toledo was vanaf het begin van zijn bloei in de vroege twaalfde eeuw een centrum van co-existentie. De resten van de Joodse aanwezigheid van toen zijn nog altijd te bewonderen, waaronder een van de mooiste synagogen ter wereld.
De Synagoge van Santa María la Blanca heette oorspronkelijk Beit Haknesset Hachadasj
De Synagoge van Santa María la Blanca heette oorspronkelijk Beit Haknesset Hachadasj

TEKST EN FOTO’S: ESTHER VOET EN BART SCHUT

De rit vanuit het centrum van Madrid langs karakterloze buitenwijken, afzichtelijke industrieterreinen en de meseta, de eentonige hoogvlakte van La Mancha, is niet bepaald de mooiste route die het land te bieden heeft. Maar dan doemt ineens een heuvel op met erbovenop een karakteristiek, vierkant gebouw. Het oogt archetypisch, met torens op alle vier de hoeken, en domineert het hele landschap. Dit is het Alcázar, gebouwd op de resten van een Romeins fort. De vesting hield eeuwenlang stand, tot aan de Spaanse burgeroorlog toe. Het huidige uiterlijk stamt uit het midden van de negentiende eeuw en het is tegenwoordig een van de musea in de vroegere koningsstad Toledo.

Eén ding is zeker: in het jaar 589 woonden er al Joden in Toledo

De naam zou volgens sommigen afkomstig zijn van het Hebreeuwse woord toledot (geschiedenis, generaties), de eerste Joodse bewoners zouden zich er al na de verwoesting van de eerste tempel hebben gevestigd. Historici verwijzen die theorie naar het rijk der fabelen; de naam zou een afgeleide zijn van het Latijnse toletum, dat weer zijn oorsprong zou vinden in het Keltische woord voor water.

Jodenpoort

Eén ding is zeker: in het jaar 589 woonden er Joden in de stad, ruim een eeuw voor de Moorse overheersing die in 711 begon. De stadsraad verbood toen namelijk huwelijken tussen christenen en Joden en Joden mochten geen christelijke bedienden meer hebben.

Het Alcázar ligt in het oosten van het middeleeuwse Toledo, maar wij rijden aan de westelijke kant het centrum binnen en komen langs de zestiende-eeuwse Puerta del Cambrón, de Bramenpoort. Die is gebouwd op de fundamenten van eerdere Visigotische en latere Moorse resten, toen deze toegang in de volksmond de Jodenpoort heette. Vanuit het hart van de stad lopen we naar een van de bewijzen van dat Moorse verleden: een kleine voormalige moskee uit 999, die tegenwoordig de naam Christus van het Licht draagt. Binnen hangt een groot christelijk kruis dat botst met de onmiskenbaar Moorse architectuur van het gebouw. Maar voor katholieken is het nu hun kapel, zo bewijst de man die devoot zijn stille gebed voor het hangende kruis beëindigt. Vanaf de aangrenzende tuin spreiden de dakpannen van de stad aan de traag stromende Taag zich als een terracotta deken voor ons uit.

Het is op deze bloedhete dag behoorlijk klimmen en dalen over de geaccidenteerde straatjes. In een westelijk deel van de stad komen we ineens kleine tegeltjes met afbeeldingen tegen in het plaveisel en op muren: een menora, een chai en bij de derde is het even puzzelen, maar het blijkt het woord Sefarad te zijn, Hebreeuws voor Spanje.

De vierkantjes geven aan dat we in La Judería lopen, de oude Joodse wijk waar — het moet helaas gezegd — heden ten dage geen Jood meer woont.

Arcades

Vanuit de Calle Samuel Halevi is het een paar honderd meter naar een groot, vrijstaand gebouw, waar achter de misleidende ingetogen gevel grote schoonheid schuilgaat. Dit is de Sinagoga de Santa María la Blanca. Een oxymoron, want Maria had natuurlijk niets te maken met dit als synagoge gebouwde godshuis. Oorspronkelijk droeg het de naam Beit Haknesset Hachadasj (‘de nieuwe synagoge’).

De hedendaagse naam is al net zo misleidend als het bescheiden exterieur. Bij binnenkomst begrijp je meteen waarom deze synagoge hoog op de lijst van mooiste ter wereld staat, als het niet de mooiste is. Al heb je er duizenden plaatjes van gezien, die bereiden je niet voor op de overweldigende schoonheid. Omdat er vanwege de hitte maar weinig bezoekers zijn, kunnen we even rustig tegen een verkoelende muur gaan zitten en de verstilde sereniteit in ons opnemen. Die rust wordt versterkt door de galerij van pilaren die lijken uit te lopen in sierlijke boomkruinen, afgewisseld met arcades in eenvoudig wit pleisterwerk. De bouwstijl is Almoravidisch, genoemd naar een Moorse dynastie die niet bepaald bekend stond als Jodenvriendelijk.

Veel Joodse gebedshuizen werden tijdens de overheersing van de Almoraviden afgebroken. Deze ‘nieuwe synagoge’ werd dan ook pas in de vroege dertiende eeuw gebouwd, waarschijnlijk door ene Joseef ben Meïr Sjoesjan. Toledo, dat een kleine vier eeuwen onder Moorse heerschappij had gestaan, was toen al lang door christenen op de Moren heroverd.

Kuzari

Dat was in 1085, toen de christelijke Alfons IV, bijgenaamd ‘de Dappere’, de Almoraviden op dit deel van het schiereiland versloeg. Zelf vond deze Alfons zijn bijnaam klaarblijkelijk niet voldoende, want al in 1077 had hij zichzelf uitgeroepen tot keizer van Hispania. Dichter, filosoof en geneesheer Juda Halevi (1075–1141) heeft die overgang van de islamitische overheersing naar de christelijke meegemaakt. Hij werd in Toledo geboren toen de Almoraviden er nog de scepter zwaaiden. In deze stad begon hij zijn beroemde werk Kuzari, dat hij later in Cordoba zou voltooien. Waarschijnlijk werd Halevi geïnspireerd door Joden die vanuit het Chazaarse gebied naar Toledo waren gevlucht. En omdat in andere steden de bevolking zich na het vertrek van de islamieten tegen Joden keerde, was het waarschijnlijk een poging van hem om het tij te keren.

Liefdesverhaal

Die eerste eeuwen na de Reconquista van dit deel van Spanje, begon de grote bloeiperiode waaraan Toledo de erenaam ‘stad van de drie culturen’ te danken heeft. Hoezeer die culturen zich met elkaar vermengden, blijkt uit het liefdesverhaal van Rajel Ezra (1165–1195), in het Ladino Rahel la Formosa, ‘de mooie Rajel’. Zij was de minnares van koning Alfons VIII. De koning was weliswaar getrouwd met de illustere Eleonora van Engeland, het weerhield hem er niet van een jarenlange relatie met de beeldschone Joodse vrouw erop na te houden. Rajel had zo veel invloed op Alfons dat hij op haar voorspraak veel Joden belangrijke posities in zijn hofhouding toebedeelde.

Zoals zo vaak in de Joodse geschiedenis, liep dat niet goed af. Uiteraard riepen haar acties onder de christelijke edelen en vertegenwoordigers van de kerk de nodige jaloezie op. Roddel en achterklap zouden niet alleen Rajels ondergang worden. In het bijzijn van haar geliefde Alfons werden zowel zij als de andere vooraanstaande hof-Joden vermoord.

Hoewel geschiedkundigen heden ten dage vraagtekens zetten bij de historische juistheid van het verhaal, bleef het in de loop der eeuwen tot de verbeelding spreken. De recentste voorbeelden: in de negentiende eeuw schreef de Oostenrijkse schrijver Franz Sephardicus Grillparzer er een populair boek over en in 1919 werd Rajels tragedie zelfs verfilmd. In 1954 waagde schrijver Lion Feuchtwanger nog een literaire poging.

Verlichte geest

Alfons VIII was de overgrootvader van Alfons X, ook wel de Wijze genoemd. Deze nummer tien was zonder twijfel een verlichte geest. Hij verzamelde de knapste christelijke, Joodse en islamitische koppen in zijn entourage. Joodse vertalers zetten islamitische boeken over astronomie om naar het Latijn en Castiliaans. Ook liet Alfons boeken over Joodse mystiek vertalen door Jehoeda ibn Mosjee.

Een standbeeld van Alfons de Wijze in Madrid

Wetenschap en filosofie bloeiden op in de stad aan de Taag. Op pleinen als het Plaza de Juderia gonsde het van de bedrijvigheid: op de markt verkochten handelaars Perzische tapijten, parels uit India, specerijen uit Arabië en stoffen uit Kasjmir. Van Alfons X wordt gezegd dat hij ondanks hevig protest van de paus toestemming verleende aan zijn Joodse stadsgenoten om hun Beit Haknesset Hachadasj te bouwen.

Op het hoogtepunt zou de stad negen synagogen hebben gekend

Hoezeer de gemeenschap het in economisch opzicht in deze dertiende eeuw voor de wind ging, blijkt uit het feit dat deze minderheid in 1290 vrijwel de helft van de Castiliaanse belastingen kon ophoesten.

Graffiti

Op het hoogtepunt zou de stad negen synagogen hebben gekend. Dat niet alle mooi bewaard zijn gebleven, blijkt wanneer we niet ver van de Santa Maria een plein oplopen met opvallende bestrating: een stevig uit de kluiten gewassen houten raster. We turen tussen de kieren door naar beneden en ontwaren twee oeroude stenen bakken, gevuld met donkerbruin regenwater. Blikjes, plastic tassen en ander afval drijft erin rond. Zou dit de locatie zijn waarover we in Madrid al hoorden? Dat het hier zou gaan om de resten van een van de negen synagogen die deze wijk ooit rijk was?

We hoorden daar ook dat je je niet zomaar in deze ondergrondse ruimte mag begeven. Maar het toegangshek aan de zijkant van het enorme raster staat open, dus kruipen we naar binnen. Het houten raamwerk dat nu het plafond vormt, blijkt op enorme stalen balken te rusten waarop de lokale jeugd zich met graffiti heeft uitgeleefd. Het stinkt. Fel zonlicht veroorzaakt een surrealistisch lijnenspel tussen de houten planken en de stalen balken. We lopen over een richel om de bassins heen naar een doorgang in de ruïne die toegang biedt tot een smalle ruimte. Door een met lege Coca Colablikjes ‘versierd’ gat in een zijmuur stroomt daglicht binnen.

Dit moet inderdaad de plek zijn waar de Joodse gemeenschap zich nu zo aan ergert. De Joodse Federatie in Madrid roept het stadsbestuur van Toledo al jaren op er iets aan te doen. Maar de bestuurders weigeren. De ruimte is nu gedegradeerd tot een kruising tussen vuilnisbelt en hangplek, iets wat het bestuur van de stad van drie culturen liever niet aan de grote klok hangt. Waarschijnlijk is het om die reden verboden terrein.

El Tránsito

Eenmaal terug in de bovenwereld blijkt het plein te worden gedomineerd door een groot, chic pand met aan de gevel de enige Palestijnse vlag die we in Toledo tegenkomen. De sympathie van de bewoners wordt extra kracht bijgezet door posters in de ramen over genocide en apartheidsstaat Israël. Dan maar liever op naar meer moois uit vervlogen tijden, want dat is er wel degelijk.

Niet ver van de Santa María la Blanca staat nog een voormalige synagoge, nu een Sefardisch museum. Het draagt de naam El Tránsito. Ook dit godshuis werd later een kerk en kreeg toen de Spaanse naam voor Maria Hemelvaart mee. Het gebouw is jonger dan de Santa Maria, en verrees halverwege de veertiende eeuw onder het bewind van Peter I van Castilië, ook wel Peter de Wrede genoemd. Die kwalificatie zou hij te danken hebben aan zijn vijanden. Zijn vrienden noemden hem liever ‘el Justo’, de Rechtvaardige. Feit is dat hij meedogenloos afrekende met zijn opponenten.

Samuel Halevi werd puissant rijk en schroomde niet dat te tonen

Tegenover Joden stond hij echter relatief tolerant. Zo bedeelde hij Samuel Halevi Abulafia met de zeer eervolle functie van schatbewaarder en dat leverde Samuel geen windeieren op. Hij werd puissant rijk en schroomde niet dat te tonen. In 1355 gaf hij de opdracht naast zijn indrukwekkende stadspaleis deze Tránsitosynagoge te bouwen. De hoofdruimte is nu leeg, maar langs de muren vind je nog prachtig stucwerk, zoals je dat ook ziet in de veel kleinere, oudere synagoge in Cordoba. Ook hier langs de wanden Hebreeuwse teksten, maar ook Korancitaten in het Arabisch waaronder smeekbeden voor vrede, geluk en voorspoed. Vooral de versieringen in het vrouwengedeelte zijn adembenemend.

Het ontwerp van het larikshouten plafond van El Tránsito is uniek voor Castlilië

En vergeet niet naar boven te kijken. Het larikshouten plafond, ingelegd met ivoor, is in bouwkundig opzicht uniek voor Castilië.

Pijnbank

Ook het verhaal van Samuel Halevi eindigde niet gelukkig. Peter was verwikkeld in een hevige strijd met zijn halfbroer Hendrik, die hij uiteindelijk zou verliezen. Hendrik en de zijnen noemden Peter spottend de Jodenkoning, en daar was Peter niet blij mee. Omdat Samuel daarnaast niet bepaald terughoudend was in het etaleren van zijn rijkdom terwijl veel Castilianen in armoede leefden, moest Halevietje hangen. Hij werd ervan beschuldigd iets te diep in de staatsopbrengsten te hebben gegraaid en werd op de pijnbank gelegd. Over hoe dat afliep, lopen de verhalen uiteen. Er zijn er die zeggen dat hij tot het einde zijn kaken stijf op elkaar hield. Anderen beweren dat hij wel degelijk onder de martelingen brak. Het einde staat echter vast: Samuel liet het leven en ook zijn familieleden werden terechtgesteld.

Een buste van Samuel Halevi tegenover zijn voormalige stadspaleis

Wat van zijn nalatenschap overblijft, zijn de Tránsito en het aangrenzende stadspaleis waarin nu een El Grecomuseum is gevestigd. Aan een van de muren hangt een anoniem schilderij met de titel Auto da fe en la Plaza de Zocodover. Het werk uit 1656 toont wat de Joden in Toledo en zeker niet alleen hen te wachten zou staan.

Plundering

Aangewakkerd door Spaanse geestelijken groeide de Jodenhaat. In 1349 al, terwijl Peter I nog de scepter zwaaide, werd de Toledaanse gemeenschap geteisterd door een pogrom na geruchten dat Joden een pestepidemie hadden veroorzaakt. In 1367 werden ze opnieuw slachtoffer, waarbij zo’n duizend Joodse huizen afbrandden. De Joden kwamen in 1391 een bloedbad bijna niet te boven. Het geweld was overgeslagen vanuit andere Spaanse steden waar hun geloofsgenoten hetzelfde lot hadden ondergaan. In 1411 plunderden de fanatieke, zichzelf kastijdende godsdienstwaanzinnige Vincente Ferrer en zijn volgelingen de Beit Haknesset Hachadasj en werd het gebouw definitief omgedoopt tot een kerk met de huidige naam Santa María la Blanca.

Zelfs de manier waarop Joden hun maaltijd bereidden, werd verdacht gemaakt

Zelfs de manier waarop Toledanen hun maaltijd bereidden, werd verdacht gemaakt. Joodse huishoudens gebruikten olie voor het bakken. En dat rook anders dan de reuzel waarin niet-Joden kookten. Steeg de geur van olie uit een pand op, dan was dat meteen verdacht: woonden hier wellicht tot maranen omgedoopte Joden die nog in het geheim hun religie aanhingen?

Controverse

We weten hoe het in Spanje afliep voor de Joden met het edict van Isabella en Ferdinand in 1492. Die geschiedenis veroorzaakt nog steeds controverse. In tegenstelling tot El Tránsito, dat in handen is van de Spaanse staat, is de Santa María la Blanca nog altijd eigendom van de rooms-katholieke kerk. Sinds het begin van deze eeuw doet de Spaans-Joodse gemeenschap verwoede pogingen om dit gebouw terug te krijgen. Tot nu toe tevergeefs. Intussen doen de Toledanen er alles aan Joods toerisme in hun stad te stimuleren. In het centrum vinden we winkelbedienden die lekkernijen als toron (noga) en marsepein aanprijzen. Die zoetwaren mogen pas een echt Toledaans product genoemd worden als er ten minste dertig procent regionale amandelen in zijn verwerkt.

Overal in het centrum van Toledo vinden we winkeltjes waar tussen de christelijke parafernalia judaïca is te vinden

De winkels worden afgewisseld met zaakjes waar niet alleen de veelgeprezen Toledaanse degens worden verkocht, maar ook kleinoden uit karakteristiek zwart-goudkleurig filigraanwerk, een ambacht waarvan de kennis en kunde oorspronkelijk uit het Syrische Damascus zou komen. Daartussenin liggen davidsterren in alle soorten en maten en menora’s.

‘Aha, rimoniem. Ik dacht dat het lampjes waren’

Wie een uniek object als aandenken wil, kan terecht in antiekwinkeltjes in La Judería met veelal Joodse religieuze voorwerpen die uit Marokko zijn geïmporteerd. We moeten de uitbater uitleggen wat hij eigenlijk in zijn winkel heeft staan. “Weet u wat dit zijn? Rimoniem, voor de Torarollen.” De winkelier, verlegen lachend: “Ah, dank. Ik dacht dat het lampjes waren. Weet u dan misschien ook wat dit is?” vraagt hij aarzelend. Hij wijst op een grote zilverkleurige koker. “Ja, daarin bewaar je de Megillat Ester, het verhaal waarmee we Poeriem vieren.” Trots vertelt hij dat hij wel weet dat de olielampjes met negen bakjes worden gebruikt voor Chanoeka.

Mikwe

Onder oude panden worden nog steeds mikwes gevonden en dan is er ook nog ‘Het Joodse huis’ aan de Travesía de la Judería, dat in 2009 volledig werd gerestaureerd en waarin gelijksoortig Mudéjar pleisterwerk met Hebreeuwse teksten als in El Tránsito te zien is. Ook heeft het huis een mikwe. Het is een relatief nieuw adres voor Joden die op zoek zijn naar hun Spaanse wortels.

Intussen leeft de naam Toledano voort, veelal in Marokko, zoals bij de chacham van de PIG die in Fez werd geboren. Terwijl zijn voorouders naar het zuiden trokken, vonden anderen na 1492 veelal via Portugal en Antwerpen hun weg naar Amsterdam. In het Ladino, de Spaans-Hebreeuwse taal die nog altijd door zo’n honderdduizend Joden gesproken zou worden, zijn veel Castiliaanse woorden terug te vinden, de taal die aan de basis staat van het huidige Spaans.

Verbannen Joden namen de sleutel van huis mee, in de hoop ooit terug te keren

Het verhaal gaat dat toen de verbanning werd ingesteld, veel Joodse Toledanen de sleutel van hun huis meenamen in de hoop ooit naar hun stad op de heuvel terug te keren. Ze werden van generatie op generatie doorgegeven. Sommige families zouden zelfs, zes, zeven eeuwen later nog zo’n sleutel in bezit hebben. Maar ongetwijfeld passen die niet meer op de deuren van het Toledo van vandaag.

Deze reportage is mede mogelijk gemaakt door Maror en verscheen eerder in het NIW36 van 3 juli 2026

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Madrid

Israël als zondebok